Bio-akkers zijn schraler

Landbouw Er is een nieuwe, grondige vergelijking tussen biologische en gewone landbouw. De biologische oogsten schieten tekort.

Karel Knip

In de biologische landbouw liggen de opbrengsten gemiddeld zo’n 25 procent lager dan in de conventionele landbouw. Er zijn grote uitschieters naar boven en beneden, maar nooit presteert de biologische landbouw beter dan de conventionele. Wel kan onder sommige omstandigheden met sommige gewassen in de biologische landbouw een opbrengst gehaald worden die in de buurt komt van die van de gewone landbouw. En soms is de teelt van die gewassen dan economisch aantrekkelijk.

Dat is, grof gezegd, het goede nieuws dat wetenschappers verbonden aan Canadese en Amerikaanse universiteiten vorige week in Nature publiceerden. Het was een genuanceerde uitspraak die voortkwam uit een ‘meta-analyse’ van 66 eerder verschenen wetenschappelijke artikelen waarin de opbrengsten van beide typen landbouw werden vergeleken (zo’n meta-analyse bundelt de resultaten van eerdere studies). Je kreeg de indruk dat de auteurs graag gezien hadden dat de biologische landbouw er beter vanaf was gekomen, maar dat het er gewoon niet in zat.

Vijf jaar geleden was dat anders. Toen verscheen in Renewable Agriculture and Food Systems een meta-analyse waaruit een steviger conclusie werd getrokken. Na kritisch onderzoek van 293 eerder gepubliceerde vergelijkingen waren Catherine Badgley en collega’s van de University of Michigan tot het inzicht gekomen dat geen mens op aarde honger zou hoeven lijden als de hele wereld overging op de biologische teeltwijze.

‘Can organic agriculture feed the world?’ was de titel van de publicatie en haar antwoord luidde volmondig ‘ja’. In de ontwikkelde wereld lag de biologische opbrengst weliswaar zo’n 9 procent onder de conventionele, maar daar stond tegenover dat de bioteelt in ontwikkelingslanden schitterende successen had geboekt. Daar lag-ie er 74 procent bóven.

Thomasslakkenmeel

De biologische landbouw en veeteelt worden van oudsher negatief gedefinieerd. Ze maken geen gebruik van kunstmest, chemische bestrijdingsmiddelen, moderne DNA-technieken of voedingsadditieven. In plaats daarvan wordt mineralenverlies aangevuld met organische mest en soms met gemalen gesteente of zoiets als thomasslakkenmeel (uit hoogovenslakken). Bestrijdingsmiddelen zijn altijd natuurlijke middelen. Ook is er veel aandacht voor teeltwisseling en de inzet van leguminosen (vlinderbloemigen, zoals klaver of lupine, maar ook erwten, bonen en soja) die in symbiose met bodembacteriën luchtstikstof vastleggen. De Europese Unie heeft het in 1991 in verordening 2092/91 vastgelegd.

De waardering voor de biologische landbouw berust op de aanname dat de teelt natuur en milieu spaart en dat de producten gezonder en smakelijker zijn. Overtuigende bewijzen voor deze aanname zijn nooit geleverd. Voor de biologische boeren in Europa en de VS is zeker belangrijk dat ze een goede prijs voor hun producten kunnen vragen.

Maar zou het verstandig zijn als de hele wereld overging op biologische teelt? Als de opbrengst van de biologische landbouw erg laag is, zal er extra natuur voor moeten worden ontgonnen. Zeker nu de teelt van biobrandstoffen van de eerste generatie (suikerriet, mais, koolzaad) óók een beroep doet op schaarse landbouwgrond. Hierin schuilt het belang van die opbrengsten.

Badgley is levend gevild toen zij haar conclusie publiceerde. Nog in hetzelfde nummer van Renewable Agriculture and Food Systems door onderzoeker Kenneth Cassman en grootlandbouwer Jim Hendrix en in 2008 in Field Crops Research door onderzoeker David Connor. Connor van de University of Melbourne is het duidelijkst in de opsomming van Badgley’s fouten.

Voor haar meta-analyse had Badgley veel zozo-publicaties meegenomen die niet peer reviewed waren. Vaak was niet goed gedefinieerd wat onder biologische landbouw werd verstaan en al helemaal niet wat ‘conventionele landbouw’ mocht heten – die hééft namelijk geen heldere definitie. De harde high-input (veel mest, veel pesticiden) en de milieuvriendelijker low-input landbouw worden altijd over één kam geschoren. Dat de biologische landbouw in Badgley’s analyse zo fantastisch presteert in ontwikkelingslanden, komt doordat de onderliggende studies de opbrengst van die landbouw vergeleken met een conventionele landbouw die het vrijwel zonder kunstmest moet stellen (want: te duur in een ontwikkelingsland). Waar Badgley ook niet aan gedacht had, was dat bioboeren hun percelen geregeld moeten inzaaien met niet-voedingsgewassen om het stikstofgehalte en de vruchtbaarheid van de bodem te herstellen.

Connor rekent voor dat er op de wereld bij lange na niet genoeg organische mest zou zijn voor al die – hypothetische – biologische landbouw. En dat de leguminosen met hun stikstofbindende bacteriën het stikstoftekort niet kunnen aanzuiveren. Zijn vernietigende stuk (‘Organic agriculture cannot feed the world’) staat op internet.

Veldproeven

Verena Seufert van de McGill University in Montreal, die vorig week in Nature publiceerde, besloot het beter te doen dan Badgley en ze deed het ook beter. Ze was strenger in de selectie van de literatuur (van Badgley’s bronnen werden er maar 9 goed genoeg gevonden, Seufert voegde daar nog 57 artikelen aan toe) en lette erop dat de systemen goed gedefinieerd waren. In 86 procent van de veldproeven waarbij de twee typen landbouw werden vergeleken, bestond de conventionele landbouw uit high-input teelt. Het optimum van de ene teelt werd dus met het optimum van de andere vergeleken.

De pijnlijkste uitkomst van het werk is dat de biologische teelt in ontwikkelingslanden, als een echt eerlijke vergelijking wordt gemaakt, helemaal niet beter blijkt te presteren dan de conventionele. De opbrengsten liggen juist 43 procent lager.

Daar valt bij aan te tekenen dat de ‘ontwikkelingslanden’ bij Seufert worden vertegenwoordigd door maar zes landen: India, China, Tunesië, Ecuador, Nicaragua en Costa Rica. Voor de biologische teelt in het continent Afrika wordt alleen de tomatenteelt in Tunesië opgevoerd.

De buitenstaander vindt wel meer beperkingen in de nieuwe Nature-studie. De meeste biologische bedrijven die werden bestudeerd, bestonden pas heel kort: nog geen vier jaar, zoals Seufert per e-mail laat weten. En vaak produceren biologische bedrijven in de eerste jaren na de overgang van conventioneel naar biologisch belangrijk minder dan ze later zullen doen. De bodemvruchtbaarheid is dan nog in opbouw.

Ook Seufert blijkt niet echt een goede oplossing te hebben gevonden voor de doorberekening van de biologische gewoonte om van tijd tot tijd non-food gewassen in te zaaien. Het Nature-artikel is er wat vaag over en lijkt te suggereren dat in de conventionele landbouw net zo vaak non-food gewassen worden geteeld. Je hoeft er dus niet voor te corrigeren.

Enigszins terloops maakt Seufert aan het eind van haar artikel een relativering die essentiëler is dan hij lijkt. Als je wilt weten of de biologische landbouw de wereld zou kunnen voeden, moet je de opbrengst van de percelen liever uitdrukken in calorieën (joules) dan in tonnen vers gewicht. Want een mens heeft meer aan een ton tarwe dan aan een ton tomaten of appels. Het ongelukkige is dat de biologische landbouw nu juist zo goed presteert in de fruitteelt en zo slecht in de productie van graan.

Een werkelijk zuivere vergelijking tussen biologische en conventionele landbouw laat nog op zich wachten.