'Af en toe laat ik ze lachen'

Kamervoorzitter Gerdi Verbeet stapt uit de politiek. Bij een strandontbijt spreekt ze de vrees uit dat de Kamer verandert in ‘een dagopvang voor 150 aardige mensen’.

Bob van der Vlist, NRC Handelsblad, Lux, Gerdi Verbeet, Scheveningen/den Haag

Het leek haar enig. Gerdi Verbeet (61), de voorzitter van de Tweede Kamer, had ook al bedacht waar ze wilde lunchen. Het moest een restaurant aan zee zijn. Dat was het plan vorig jaar september. Het zomerreces was voorbij, de Kamerleden zouden weer gaan vergaderen. Maar de strandtenten gingen net dicht. Zodra die weer open waren, zouden we afspreken.

Het werd dus april. En het werd een ontbijt. In de Buena Vista Beach Club op het strand van Scheveningen, het enige etablissement dat ’s ochtends om negen uur open is. Het moet zo vroeg, want ze moet op tijd weer in de Kamer zijn voor het wekelijkse vragenuur.

Afgelopen woensdag kwam er een kort berichtje uit Den Haag. Gerdi Verbeet stopt ermee. Als Kamervoorzitter én als Kamerlid. Kort na onze lunch viel het kabinet en werden er nieuwe verkiezingen uitgeschreven. Ze had al wel laten doorschemeren dat ze het voorzitterschap „best een zware functie” vond. Een eervolle functie, dat zeker. Maar „de lange dagen in woelige tijden” putten haar ook uit. „Ik ben al 61”, had ze gezegd. Ze wekte niet de indruk dat ze er na zes jaar voorzitterschap genoeg van had. Integendeel. „De democratie heeft al mijn aandacht.” Maar toen de democratie haar onverwachts de kans bood eerder te stoppen, greep ze die.

Terug naar de lunch. Gerdi Verbeet stond me op te wachten in de nog lege strandtent. Charmant was ze, heel charmant zelfs. Antracietgrijs jasje en broek, roomwitte accenten, sieraden van goud en parelmoer. En haar lach, met dat karakteristieke spleetje tussen haar tanden. Haar wellevendheid bracht iets teweeg bij de mensen om haar heen. Bij de jonge assistent van de fotograaf die ze complimenteerde met zijn „prachtige, blauwe ogen”, bij de serveerster van de Buena Vista Beach Club toen ze zag dat Gerdi Verbeet alvast de glazen en de kopjes voor haar stapelde, bij mij toen ze aan tafel haar lippenstift uit haar tas haalde – „verjaarscadeautje van de secretaresses”– de dop eraf schroefde en vroeg wat ik van de kleur vond. „Beetje bruinig rood. Mooi toch?”

Ze doet wat zoveel politici zich voornemen: de ‘afstand tussen politicus en burger’ heel klein maken.

Vitaliteit

In de Kamer is Gerdi Verbeet primus inter pares: de eerste onder gelijken. Net heeft ze een boek geschreven over ‘de vitaliteit van onze parlementaire democratie’, waarin ze verslag doet van haar gesprekken met veertien ‘waarnemers’ van de volksvertegenwoordiging. Journalist Joris Luyendijk, mediaprofessor Liesbet van Zoonen, WRR-lid Pieter Winsemius. Net als Winsemius ziet zij een tweedeling in de samenleving. „Aan de bovenkant ontstaat een groep hoogopgeleiden die hun eigen regels bepalen en die de politiek vooral hinderlijk vinden. En aan de onderkant groeit de groep ‘overvraagden’. De mensen die zijn afgehaakt en elke belangstelling voor politiek verloren zijn.”

En, als om te demonstreren dat zij het contact met de ‘gewone man’ niet is verloren, vertelt ze hoe ze de interviews heeft afgenomen. „Gewoon bij mij thuis, aan de eettafel.” Ze lacht bij de herinnering aan het gesprek met Liesbet van Zoonen. „Ik heb zo’n half open keuken en was koffie aan het zetten. Ze hoorde me een nieuw pak koffie open maken. ‘Spaar jij punten?’, hoor ik haar roepen.” Ze lacht. „Ik kan geen pak weggooien zonder die punten eruit te knippen.”

Ze is de kleindochter van een dienstmeisje. Haar oma, van vaderskant, liep elke week van het Bickerseiland in Amsterdam naar haar ‘dienstje voor dag en nacht’ elders in de stad. Bij die oma at Gerdi Verbeet samen met Martin, haar oudere broer, tussen de middag een boterham. Haar moeder was lerares op een vglo (voortgezet gewoon lager onderwijs), haar vader leraar op de mulo ernaast. „Ze hebben elkaar in 1949 ontmoet op een lerarenreis. Maar ze wilde eerst zwanger raken en dan pas trouwen.”

Ze wacht even tot ik verbaasd vraag waarom. „Ze was al 32, en ze was bang dat ze te oud was om zwanger te raken. Als ze geen kinderen kon krijgen, wilde ze niet trouwen. Getrouwde vrouwen werden ontslagen. Ze moest er niet aan denken om thuis te zitten zonder kinderen en zonder werk.”

Op een school mocht haar moeder niet meer werken, dus begon ze een schooltje thuis, voor kinderen die ‘onvoordelig’ jarig waren en nog een jaar moesten wachten voor ze naar school mochten. „Opklapbed omhoog, tafels en bankjes in de kamer. Om stipt negen uur begon ze.” In de wet stond dat kinderen op hun zesde jaar naar school toe moesten. „Maar er stond niet dat ze in de eerste klas moesten beginnen. Mijn moeders leerlingen bleven een jaar en begonnen dan in klas 2.” Ze lacht. Trots. Haar moeder is in januari van dit jaar overleden, 94 jaar oud en diep dement. „Op het laatst herkende ze me niet meer. Maar ze is altijd charmant en lief gebleven. Ze kon heel wijze dingen zeggen. Ze woonde in een verpleeghuis bij Artis, ik ging vaak even langs. Soms zei ik: ‘Mama, ik ben zo moe.’ Dat snapte ze wel. Ze zei: ‘Als je de hele dag op je woorden moet letten, terwijl je zo spontaan bent, ja daar wordt een mens moe van’.”

Er gaat geen dag voorbij, zegt ze, dat ze haar moeder niet mist. In haar boek schrijft Gerdi Verbeet over de vuistjes van haar moeder. Haar handen waren na een beroerte verstard in die houding. „Op een dag gromde ze toen ik haar aanraakte.” Ze vouwde haar moeders vuisten voorzichtig open en zag dat haar nagels in de handpalm groeiden. „Ik begreep toen ook wat ik al die tijd rook.” Waarom, vraagt ze zich af, hebben we het in de „Haagse wereld altijd alleen over budgetten, toezicht en fte’s”. Zij vindt dat het moet gaan over wat er echt aan de hand is in verpleegtehuizen. „Dat veel bewoners in het huis van mijn moeder nooit bezoek krijgen. Dat kinderen en kleinkinderen geen tijd meer hebben om te genieten van hun ouders en grootouders.”

Ze doet een denkbeeldig schepje suiker in het glas waaruit ze net nog een latte dronk. „Schepje cacao, scheutje heet water erbij, roeren. Dan had je chocomel.” Ze dronk het als klein meisje achterin de klas waar haar moeder lesgaf. „In 1956 veranderde de wet. Getrouwde vrouwen mochten toch werken.” Haar moeder had direct een baan. Fulltime. „De meeste vrouwen lieten destijds bij hun ontslag hun opgebouwde pensioen uitbetalen. Zij niet. Zij kocht extra pensioen in voor de vijf jaar dat ze niet had gewerkt. Ze is later altijd trots geweest op haar volledige pensioen.”

Merkt trouwens iedereen wat Gerdi Verbeet hier doet?

Emancipatie, pensioenen, ouderenzorg. Ongemerkt heeft ze, al pratend over haar moeder, soepeltjes een paar thema’s behandeld.

Onderwijs, de combinatie zorg en arbeid, flexibele werktijden. Die thema’s komen langs als ze praat over haar kinderen en haar kleinkinderen. Ze heeft twee zoons uit haar eerste huwelijk. Om de maandag past ze op hun kinderen: Lola, Finn en Malou. Gerdi Verbeet spelt hun namen, en ziet erop toe dat ik het correct noteer. „Dan werk ik gewoon thuis. Toen ze 0, 1 en 2 waren deden we ’s middags alle vier een dutje.” Aan haar tweede huwelijk heeft ze twee stiefdochters en kleinkinderen overgehouden. Haar huidige man Wim Meijer, oud-staatssecretaris van de PvdA en voormalig Commissaris van de Koningin in Drenthe, heeft ook twee kinderen en kleinkinderen.

Voor ze Kamervoorzitter werd, was Gerdi Verbeet adviseur van staatssecretaris Tineke Netelenbos van Onderwijs. Dat was in de jaren tachtig. „Weet je de slogans nog? ‘Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid.’ En ‘Kies exact.’ En: ‘Kies voor een vak, dan kom je beter aan de bak.’” Wiskunde werd een verplicht vak op het vwo. Uit die tijd stammen de ROC’s, de Regionale Opleidingsinstituten waar leerlingen werk en leren kunnen combineren. Het is een idee-fixe, zegt ze, dat alle kinderen vijf dagen naar school willen. „Sommige kinderen willen gewoon wat doen.” Ik vraag of haar kinderen of kleinkinderen beroepsonderwijs hebben gevolgd. „Eén kleinzoon. Hij heeft vmbo gedaan en daarna een opleiding tot stukadoor.” Zelf heeft ze vier jaar voor de klas gestaan. Lerares Nederlands op het Berlage Lyceum in Amsterdam. „En als ik in die periode niet drie keer was ontslagen omdat er te weinig lesuren voor me waren, dan had ik er nog gewerkt.”

Ze vertelt dat ze met haar hele familie haar verjaardag vierde op Terschelling en hoe gezellig dat was. „Alle kinderen hebben het leuk met elkaar.” En daarna geeft ze, tussen de regels door, de verklaring waarom ze daar zo graag over vertelt. „Het voordeel van een grote, gevarieerde familie en de onderlinge verbanden tussen alle generaties is dat je beter weet wat er in de samenleving leeft.”

Want dat is haar grootste angst, schrijft ze in haar boek. Als er niks verandert, is de Tweede Kamer straks een obsoleet instituut. Verouderd, betekent dat, archaïsch. Kamerleden vertegenwoordigen het volk niet meer, omdat ze niet weten wat het volk vindt. En dan is de Kamer straks niet veel meer dan „een dagopvang” voor 150 aardige, hoog opgeleide mensen.

Zonnen

Een Kamervoorzitter, zei Gerdi Verbeet na het derde kopje koffie, is meer dan een ordebewaarder bij debatten. „Ik probeer de sfeer goed te houden. Af en toe laat ik ze lachen, desnoods om mij.” En toen vertelde ze dat ze het soms best zwaar vond. Soms tot diep in de nacht vergaderen, de volgende dag om zeven uur weer op. Over stoppen had ze het niet. Nog niet, bleek achteraf.

En toen moest ze snel weg. De democratie wachtte. Nog net op tijd vroeg ik wat ik al die tijd vergat. Waarom ze nou per se in een strandtent wilde afspreken. Om de zee, antwoordde Gerdi Verbeet. „Die ruikt zo heerlijk.” Het is dat haar huidige partner meer „een bosmens” is, anders zou ze er veel vaker komen. „In de zomer stap ik om acht uur in de auto, dan ben ik om half negen in Zandvoort. Lezen, lopen, slapen. En voor de drukte ben ik weer weg.” Ze lacht koket. „Ik weet het. Zonnen is slecht voor je huid. Maar ik smeer ook wel.” En, roept ze achterom terwijl ze wegloopt: „Ik word heel makkelijk bruin.”

Die avond zie ik op het NOS Journaal dat ze die middag als laatste de Kamer in kwam hollen. Net op tijd terug uit Scheveningen.