'Wij zijn wel een voorbeeld, ja'

Ook dit jaar is er commotie over de Dodenherdenking op 4 mei. De vraag is: wie herdenken we wel, wie niet.

Ingmar Vriesema

Vorig jaar was er 4 mei-commotie in Culemborg, over gastspreker Grimbert Rost van Tonningen. Dit jaar was er ophef over het inmiddels ingetrokken 4 mei-gedicht bij de Nationale Herdenking, van een 15-jarig familielid van een Nederlandse Waffen-SS’er. Over de toespraak van de zoon van de voormalige NSB-burgemeester van Texel. En in Vorden is de herdenkingsstrijd nog in volle gang: joodse organisaties die protesteren tegen de plaatselijke plannen om vanavond ook Duitse soldaten te herdenken. Vanmorgen diende over deze zaak een kort geding, waarvan de uitkomst nog niet bekend was toen deze krant naar de drukker ging.

Directeur van het Nationaal Comité Nine Nooter vindt dat haar comité een voorbeeld moet geven, maar lokale comités maken „eigen keuzes”.

Wat vindt het Nationaal Comité van de plannen in Vorden om vanavond ook langs de graven van Duitse soldaten te lopen?

„Voorzover ik heb begrepen, is het niemands intentie om in Vorden de Duitse soldaten te herdenken. Er is daar een algemene herdenking, en op de terugweg is er de mogelijkheid wel of niet langs Duitse graven te lopen. Om het breder te trekken: bijna alle Nederlandse gemeenten herdenken op 4 mei. En alle herdenkingen zijn anders maar hebben dit gemeen: we gedenken onze dierbaren en onze doden. Dat zijn zoveel groepen. Joden, Sinti en Roma, de koopvaardij, burgerslachtoffers, Nederlanders in Zuidoost-Azië, ga maar door.”

Maar geen Duitse soldaten...

„Daar zijn we het allemaal over eens. We hebben een nationale herdenking, en daar herdenken we alle Nederlandse oorlogsslachtoffers van de Duitse en Japanse bezetting. Er zijn misschien andere momenten in het jaar waarop je andere groepen kunt herdenken. Zo is er ook een herdenking in IJsselstein waar Duitse soldaten liggen. Maar dus niet op 4 mei.”

U vindt: dit is niet het moment om Duitse soldaten te herdenken.

„Voorzover ik weet ambieert Vorden dat niet. Net zoals ons comité niet de suggestie heeft willen wekken dat we daders zouden willen herdenken door de keuze voor het gedicht van de 15-jarige Auke Siebe Dirk de Leeuw. Er ontstaat al snel verwarring in de media.”

Dat gedicht verwees naar een Nederlander die in dienst ging bij de Waffen-SS.

„Daar ging het gedicht niet over. Auke had niet de intentie om zijn oudoom te herdenken. Zijn vaststelling was: ik heb een naam en draag dus de geschiedenis mee, en hoe verhoud ik me nu tot de oorlog? En zou ik zelf in zo’n oorlog belanden, maak ik dan de goede keuze? Het was bedoeld als waarschuwing aan zijn generatie.”

Voelt u zich verantwoordelijk voor de commotie over lokale herdenkingen?

„We zijn een voorbeeld ja, voor een heleboel gemeenten. Maar de lokale invulling is de verantwoordelijkheid van die organisatoren zelf, en dat is ook goed. Kijk, al in 1961 is besloten om naast de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog ook Nederlandse slachtoffers van oorlogssituaties na ’45 te herdenken. Maar mijn ervaring met lokale herdenkingen is: de slachtoffers van de oorlog staan nog steeds centraal. En natuurlijk heeft elk van die talloze lokale dodenherdenkingen een eigen accent. Maar vanuit het gezamenlijke doel ‘dit nooit meer’ is steeds mogelijk gebleken samen te werken aan de toekomst.”

Afscheid van de schaamte: opinie, pagina 18