‘Van de paarden heb ik wél spijt’

Na de oorlog werden Duitse soldaten afgeluisterd om te horen wat hen dreef. Een onthutsend verslag.

Mei 1940: Duitse infanteristen op weg naar Brussel Uit René Kok en Erik Somers. Het grote 40–45 boek. Waanders, 2011

Sönke Nietzel en Harald Welzer: Soldaten. Over vechten, doden en sterven. Vert. René van Veen, Marten de Vries en Marcel Misset. Ambo, 487 blz. € 29,95

Het went snel. De eerste keer dat de Luftwaffepiloot Pohl een bombardement uitvoerde, ‘was hij er niet blij mee’, vertelde hij op 30 april 1940 aan zijn collega Meyer. Bijna acht maanden eerder moest hij op de tweede dag van de Duitse inval in Polen een station in Posen bombarderen. ‘Acht van de zestien bommen vielen midden in de stad, zo op de huizen. [...] De eerste dag vond ik verschrikkelijk. Ik heb toen tegen mezelf gezegd: het is klote, maar bevel is bevel.’ Op de derde dag deden het bombarderen en schieten hem al niets meer. ‘En op de vierde begon ik het leuk te vinden. Het was ons pleziertje voor het ontbijt om soldaten in hun eentje op te jagen door de velden met onze machinegeweren. We schoten ze paar keer in het kruis en lieten ze daarna liggen.’

Meyer vervolgt het gesprek met de vraag of Pohl altijd alleen op soldaten richtte. Pohl antwoordt dat hij ook op ‘gewone mensen’ schoot. „‘We vielen op de wegen burgercolonnes aan. We vlogen in een eskader van drie. Het voorste toestel wierp bommen op de weg. [...] We zagen paarden door de lucht vliegen.’ Meyer: ‘Jakkes, paarden. Nee toch zeker?’ Pohl: ‘Die paarden speten me wel, maar de mensen niet. Van die paarden heb ik eigenlijk nog steeds spijt’.”

Meyer en Pohl waren krijgsgevangenen en wisten niet dat ze twee van de 10.191 Duitse soldaten waren die in speciale Engelse en Amerikaanse gevangenissen werden afgeluisterd door de geheime diensten van de geallieerden. Zo wilden de leiding van de Engelse en Amerikaanse legers erachter komen wat er leefde onder de soldaten van de Asmogendheden – ook enkele honderden Italiaanse soldaten zijn afgeluisterd.

Esthetiek van geweld

De Duitse historicus Sönke Neitzel (1968) en de eveneens Duitse sociaal psycholoog Harald Welzer (1958) doken in het British National Archive in Londen en de National Archives in Washington waar de genoteerde afgeluisterde gesprekken liggen opgeslagen. Van de passages die ze het interessantst vonden hadden ze afschriften gemaakt. Pas in 1996, 51 jaar na de oorlog, werden de afgeluisterde gesprekken vrijgegeven. Maar ze bleven vrijwel onaangeroerd. Neitzel en Welzer waren de eersten die ze systematisch doornamen.

Uit de honderdduizenden pagina’s stelden ze een bloemlezing samen: Soldaten. Over vechten, doden en sterven. De soldatengesprekken worden voorafgegaan door een lange inleiding over de gewelddadige geschiedenis van Duitsland en onderbroken door commentaar en uitleg. Vooral het commentaar is nogal eens topzwaar, vol met begrippen als ‘referentiekaders’ en ‘cognitieve dissonantie’. Maar ze zijn onontbeerlijk voor een goed begrip van de complexe wereld van de SS, Wehrmacht en Einsatzgruppen en de onderwerpen waarover de Duitse soldaten spraken.

Neitzel en Welzer hebben de gesprekken geordend op onderwerpen, waarvan ‘doodschieten’ het eerste is en de vraag ‘hoe nationaal-socialistisch was de oorlog van de Wehrmacht’ het laatste. Tussendoor komen ‘uitroeiing’, ‘fatsoen’, ‘seks’, de ‘esthetiek van het geweld’ en ‘geloof in de Führer’ en andere onderwerpen van het Duitse soldatenleven aan de orde.

In al hun gruwelijkheid zijn de gesprekken fascinerende lectuur. Wie bijvoorbeeld denkt dat piloten pas met de komst van computertechnieken oorlog ervaren als een spel, vergist zich.

Vooral de Duitse jagerpiloten zagen de strijd als een soort sport. Dat komt, leggen Neitzel en Welzer uit, doordat ze de gevolgen van hun handelingen altijd van een afstand waarnamen. Hierdoor verloren de slachtoffers hun ‘specifieke betekenis’: ‘Ze hebben in de verhalen van de piloten dezelfde betekenis als de doelwitten in de computerspelletjes – met name schietspelletjes – van een halve eeuw later. Daarbij zijn de behendigheid en reactiesnelheid van de piloot respectievelijk speler van beslissende invloed.’

Het ijzingwekkendst in Soldaten zijn – hoe kan het anders? – de hoofdstukken over de uitroeiing van de Joden in Polen, de Oostzeestaten en Rusland. De Duitse soldaten spraken er hoogst zelden over: slechts 0,2 procent van de gesprekken gaan over de massaslachtingen die de Einsatzgruppen in de veroverde Oost-Europese gebieden aanrichtten, vaak met hulp van de plaatselijke bevolking en Wehrmachtsoldaten. ‘De Joden moesten met het gezicht naar het graf staan en dan gingen er twintig Letten achter ze staan en die schoten ze gewoon met het pistool in het achterhoofd’, vertelt luitenant-generaal Heinrich Kittel op 28 december 1941 over de moord op 14.000 Joden tussen juli en december 1941 in Dünaberg. ‘Ze hadden aan de rand van de kuil een trede gemaakt zodat ze iets lager stonden. De Letten stonden boven aan de rand, schoten [...] en dan vielen ze voorover, in de kuil. Daarna twintig mannen die net zo’n salvo kregen.’

Uitje

Dergelijke slachtingen trokken veel bekijks, zo blijkt uit de gesprekken. En hoewel de leiding van de SS en de Wehrmacht het aantal toeschouwers probeerden te beperken, ontstond er ‘executietoerisme’ achter het Oostfront. Voor Wehrmachtsoldaten werd het een uitje om het moorden bij te wonen. Soms werden ze zelfs uitgenodigd om bij wijze van vermaak met hagel of met een machinegeweer op Joden te schieten. ‘Heb je zin een halfuurtje mee te gaan? Je krijgt een machinepistool en dan gaan we’, zo vroeg een SS-officier aan eerste luitenant bij de luchtmacht Fried. ‘Gingen we naar een of andere kazerne waar we vijftienhonderd Joden hebben omgelegd’, vertelt Fried.

Op basis van de gesprekken stellen Neitzel en Welzer vast dat alle Wehrmachtsoldaten wisten van de uitroeiing van de Joden. Slechts een enkeling maakte er bezwaar tegen. Meestal betroffen hun bezwaren niet de massamoorden op zichzelf, maar de manier waarop dat gebeurde. Uiteindelijk hebben slechts een paar honderd van de 17 miljoen soldaten van de Wehrmacht zich tegen de behandeling van de Joden verzet.

Dat betekent volgens de auteurs nog niet dat de meeste Wehrmachtsoldaten fanatieke nazi’s waren die uit waren op de vernietiging van de Joden. Sommige soldaten vonden dat de Joden de vervolging aan zichzelf hadden te wijten, maar de meeste waren er eenvoudigweg niet in geïnteresseerd. Het ‘Joodse vraagstuk’ was een vanzelfsprekend onderdeel van hun wereld, schrijven Neitzel en Welzer, ‘ongeacht wat ze nu precies goed of slecht, juist of fout aan de anti-Joodse maatregelen vonden.’

De meerderheid van de soldaten voerde geen vernietigings- of rassenoorlog, zo stellen de twee dan ook vast. Ideologie speelde bij hun handelingen geen prominente rol. Slechts een kleine minderheid was fanatiek nationaal-socialistisch, de rest zag de oorlog als werk en dat voerden ze plichtsgetrouw en zo goed mogelijk uit, zoals hun was geleerd in het Duitsland van vóór en na Hitlers machtsovername.

Juist dat laatste vinden Neitzel en Welzer het meest verontrustend aan de soldaten – of misschien wel de menselijke natuur. Ze komen tot de sombere conclusie dat je geen nazi hoeft te zijn om te moorden en te slachten. Voor de doorsnee soldaat mocht oorlog dan gewoon werk zijn, voor de nazi-leiding was die toch beslist nationaal-socialistisch en racistisch, schrijven Neitzel en Welzer: ‘Om daaraan mee te doen – en dat is het eigenlijk verontrustende – hoefde je racist noch antisemiet te zijn.’