Vader is gek geworden

Mijn vader is de hele oorlog een grenzeloze optimist geweest. Dat begon al, toen de eerste geruchten over Stalingrad binnenkwamen. „Nu duurt het niet lang meer!”

Als een formatie Lancasters hoog in de lucht naar Duitsland trok. „Nu duurt het niet lang meer!”

D-day. „Nu duurt het niet lang meer!”

Maar toen kwam de slag om Arnhem. We woonden in Arnhem, zaten vier dagen in de kelder en moesten na een week de stad verlaten op last van de Duitsers. Na wat omzwervingen kwamen we terecht in Hotel Zilven in Loenen op de Veluwe, dat was ingericht voor Arnhemse evacués. Op 24 maart 1945 brandde het af. Wij konden onze intrek nemen in een tuinhuis en sliepen ’s nachts in een oude legertent. Wij, dat waren mijn vader, mijn moeder, drie broers en ik.

Op 14 april gingen er al geruchten dat de ‘Tommies’ in Eerbeek gesignaleerd waren. We waren gewend alle geallieerden Tommies te noemen. Pas later leerden we dat het Canadezen waren.

Op 17 april werd Loenen bevrijd. ’s Middags was het zover. „Geert, Geert, kom mee, ze zijn er, ze zijn er!”, riep mijn moeder.

Mijn vader lag op zijn rug in de hei en zei vermoeid: „Ga jij maar. Het interesseert me niets. Ik blijf hier lekker naar de wolken kijken. Gaan jullie maar.”

Wat ik me herinner, is vooral mijn verbijstering over zijn lauwe reactie. We stonden bedremmeld om hem heen.

Mijn vier jaar oudere broer stelde de diagnose: „Vader is gek geworden.”

We renden allemaal door het bos naar de dorpskern van Loenen en daar zagen we de Canadezen in hun pantserwagens.

Mijn vader heeft dat gemist. Die lag in de hei. Ziek van de honger. Ziek van de oorlog. En vooral ziek van het lange wachten. Hij had te lang gewacht. Hij kon niet meer blij zijn.

Dat kwam later pas.