Smet in het straatbeeld

Duits konvooi rijdt Praag binnen op 15 maart 1939 Foto AP

Jirí Weil: Leven met de ster. Vertaald uit het Tsjechisch en volledig herzien door Kees Mercks. Van Gennep, 261 blz. € 18,90

Schrijver, journalist en vertaler Jirí Weil (1900-1959) overleefde de Duitse bezetting in Praag door zelfmoord te fingeren en onder te duiken. Leven met de ster verscheen in 1949, maar werd door de toenmalige communistische machthebbers verboden. Veertig jaar later verscheen de Nederlandse vertaling van Kees Mercks met de titel De ster van Josef Roubícek. De huidige uitgave is Mercks’ herziene vertaling.

Op dit moment ligt ook Mendelssohn op het dak in de winkel, Weils andere roman over de bezetting van Praag, die verbluft door de rijkdom van het meervoudig perspectief, waaronder dat van Reinhard Heydrich (Boeken, 05.08.2011). Beide boeken zijn aangrijpende meesterwerken, maar het eenzame gezichtspunt van Josef Roubícek levert toch de grootste beklemming op.

De situatie is namelijk hopeloos voor Josef Roubícek, voormalig bankbediende in het bezette Praag. Hij vindt echter een zekere troost in het kijken naar de sterren. Daarbij vergeleken lijkt alles klein, zelfs zijn angst voor deportatie. Terwijl de bezetter hem alles heeft afgenomen, horen die sterren onvervreemdbaar bij hem: ‘Niemand kan ze van me afpakken.’

Verkeerd gedacht. Er wordt hem een zespuntige ster van gele stof uitgereikt die hij op zijn kleding moet naaien, precies op zijn hart. ‘Ik hoef u niet te vertellen wat er anders met u zal gebeuren.’ De kosten – één kroon – zijn uiteraard voor hem. ‘Ik zag de mensen naar me kijken, eerst leek het of ik een losse veter vast moest binden of iets aan mijn kleding in orde moest brengen, op een of andere wijze verstoorde ik de gewone, alledaagse orde, ik was een soort smet die niet in het straatbeeld paste, en iedereen leek dat zo te voelen. En ik was alleen te midden van zo veel andere mensen.’

Kacheltje

Roubícek woont op een zolderkamer. Hij heeft een slaapzak, een stapeltje boeken en een gebrekkig functionerend kacheltje. Al zijn meubels heeft hij al opgestookt. Eenzaam als hij is, voert hij in gedachten hele gesprekken met Ruzena, een getrouwde vrouw met wie hij een relatie heeft gehad. Vlak voor de oorlog heeft ze voorgesteld samen te emigreren, maar hij kon zich een bestaan in het buitenland niet goed voorstellen en durfde geen beslissing te nemen. Die angst heeft zowel hem als Ruzena de kans op een uitreisvisum gekost. Als hij niet met de schim van zijn geliefde praat, richt hij zich tot Thomas, een kater die is komen aanlopen en waarmee hij zijn schaarse eten deelt, ondanks de verordening dat Joden geen huisdieren mogen houden.

De opeenvolgende verordeningen maken Roubíceks leven voortdurend moeizamer, en zijn bewegingsvrijheid kleiner. Nadat hij uit zijn ambt is gezet, wordt de toegang tot steeds meer plaatsen hem verboden: winkels, cafés, schouwburgen, bioscopen, bibliotheken, het ziekenhuis, het park, de tram, bepaalde straten. Terwijl Thomas vrijelijk door de tuinen sluipt, ziet Roubícek op den duur niet veel meer dan de groeiende vochtplek op het plafond van zijn zolderkamer. En er komen successieve voorschriften om goederen in te leveren: muziekinstrumenten, schrijfmachines, microscopen, kleding. Roubícek prijst zich gelukkig dat hij toch al vrijwel niets bezat.

Aanvankelijk ondergaat hij zijn lot lijdzaam. Hij is zelfs dankbaar dat hij als tuinman op de Joodse begraafplaats wordt tewerkgesteld, vanwege zijn zwakke fysiek. Gehoorzamen en vooral niet opvallen is voor Roubícek en de meeste anderen het devies, in de hoop dat de Russische bevrijders zich eerder zullen aandienen dan de persoonlijke oproep voor transport. Weinigen maken zich illusies over de afloop van die massale transporten in oostelijke richting, al dan niet met Theresienstadt als tussenstation: ‘We zijn allemaal verloren.’ Zelfmoord is een optie, maar gif is duur. En kun je dat wel maken? In jouw plaats moet een ander gaan.

Na een aantal ingrijpende gebeurtenissen begint Roubícek zich echter te verwonderen over de gelatenheid waarmee zijn lotgenoten ‘naar het circus gaan’, waar ze op het klappen van de zweep als dieren door de piste worden gejaagd. ‘Als er geen hoop was, zouden we misschien meer van ons afbijten,’ zegt hij. ‘Maar de mensen denken aldoor dat er nog hoop is, ook als ze aan hun zelfgedolven graf staan,’ antwoordt een ander. Uiteindelijk vindt Roubícek de moed tegen de regels in te gaan en duikt onder.

Twee vreemden

Onvermijdelijk doet Leven met de ster aan Kafka denken, door de zakelijke stijl, de angst en schaamte van de slachtoffers, het toekijken van de anderen, de machinerie van het totalitaire systeem, en door absurdistische scènes zoals die waarin Roubícek op bezoek is bij een welgestelde, Joodse oud-klasgenoot en er onaangekondigd twee vreemden binnenkomen, een man en een vrouw, die zonder een woord te zeggen de rijke inventaris opnemen en daarna verheugd vertrekken. Maar vooral door de onzichtbaarheid van de kern van de macht, want Duitse bezetters – ‘die lui’ – zijn opvallend afwezig in deze roman. Het is de Joodse Gemeente die in benauwde kantoortjes druk doende is de vernietiging van het eigen volk in goede banen te leiden. ‘Eigenlijk knappen we zelf alles voor die lui op,’ constateert Roubícek. Onheilspellender kun je het niet bedenken, dat is typisch Kafka.