Op straat kreeg ik een klap in mijn gezicht. Ik zag niets meer.

Edith van der Meulen (Nederland, 1931)

Vanaf de dakgoot van ons huis zag ik de parachutisten naar beneden dwarrelen. De geallieerden kwamen Nijmegen bevrijden. Ik liep met mijn zusje Hanneke op straat toen een week later Duitse vliegtuigen splinterbommen afwierpen. Wij liepen gewoon door, dat was stoer. Dezelfde dag wilden we naar de Goffert, naar de Engelsen die ons wel eens iets toestopten. Moeder waarschuwde ons dat er bommen vielen. ‘Onkruid vergaat niet’ riep ik. Op straat kreeg ik een klap in mijn gezicht. Ik zag niets meer. We waren getroffen door een Duitse splinterbom. Engelse soldaten droegen ons weg. Ik hoorde Hanneke huilen. Later overleed ze. Haar gehuil is mij lang bijgebleven. (...) Mensen reageren vreemd op blinden: ze tutoyeren je zomaar en kijken je niet aan als ze praten. Ik moest eens met de trein door Duitsland en werd in een coupe voor Schwerbeschädigte geplaatst. Ik voelde me beledigd. Ik ben blind, niet zwaar beschadigd!