Oorlogsboeken

Nederland blijft worstelen met 4 en 5 mei. Vorige week ontstond er ophef over het voornemen van het Nationaal Comité 4 en 5 mei om bij de Dodenherdenking de 15-jarige Auke de Leeuw een gedicht te laten voordragen over zijn oud-oom die bij de SS zat. De rel, die ervoor zorgde dat het Comité uiteindelijk afzag van de voordracht, ontbreekt uiteraard in de geschiedenis van 4 en 5 mei die Jolanda Keesom schreef met Breekbare Dagen. 4 en 5 mei door de jaren heen (Nationaal Comité 4 en 5 mei/Stichting CPNB, € 16,95), een jubileumboek van het Nationaal Comité 4 en 5 mei dat nu 25 jaar bestaat. Wel bevat het prachtig vormgegeven en rijk geïllustreerde boek de 19 voordrachten die schrijvers als Harry Mulisch en K. Schippers sinds 1992 hebben gehouden bij de Dodenherdenking in Amsterdam. James Kennedy, hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, schreef een inleiding waarin hij vaststelt dat ondanks de worsteling met 4 en 5 mei het belang ervan niet afneemt in Nederland.

NSB-kinderboerderij

Ook voor WO II zelf neemt de belangstelling niet af, integendeel. Hoe langer geleden WO II is, des te hoger wordt de berg oorlogsboeken die jaarlijks vooral in de weken vóór 4 mei verschijnt. In de berg zit Droomonderduik (2010 Uitgevers, € 19,90), de novelle van Maarten Frankenhuis, ex-directeur van Artis, Amsterdam, over een Duits-Joods jongetje dat in de oorlogsjaren zat ondergedoken in de dierentuin. De novelle is deels gebaseerd op ware gebeurtenissen. Niet alleen hielden zich in WO II zo’n 250 mensen schuil in Artis, maar ook heeft Frankenhuis zijn eigen ervaringen als onderduiker gebruikt voor zijn novelle. In Droomonderduik leidt de gefingeerde Alfred Hirsch een surrealistisch bestaan tussen de dieren die niet alleen kunnen praten, maar ook politieke voorkeuren hebben. Zo willen de twee varkens in de kinderboerderij lid worden van de NSB.

Engelandvaarder

Ook fictief zijn de hoofdfiguren in Vrij Spel (Contact, €19,95), debuutroman van Carlijn Vis. Maar ook zij heeft gebruik gemaakt van een waar gebeurde geschiedenis. Het verhaal over de jonge verzetsvrouw Emma, die in WO II met haar vriend uit Nederland via een lange omweg vlucht naar Londen, is gebaseerd op de vlucht van haar oma, Ellis de Smeth-Brandon, de laatste nog levende vrouwelijke Engelandvaarder.

Voor haar losjes geschreven debuut vol dialogen voerde Carlijn Vis vele gesprekken met haar oma waarvan fragmenten zijn te beluisteren op www.vrijspelderoman.nl.

Vanavond leveren Smeth-Brandon en Carlijn Vis bijdragen aan de musical Soldaat van Oranje in Carré.

Oostwaarts

Dat je ook oostwaarts kon gaan, schrijft Bronia Davidson in haar egodocument Vlucht naar het oosten (Nijgh & Van Ditmar, € 19,95). Ze zat met haar moeder in Polen in een kuuroord toen de Duitsers in 1939 dat land binnenvielen.

Daar werd jodenhaat er bij schoolgaande kinderen al vroeg in gepompt; Jood was een standaard scheldwoord op straat. Tijd om te vertrekken, raadt een Joodse arts haar moeder aan. Bronia Davidson zelf is dan nog maar net 20 maanden oud. Aan de hand van verhalen weet ze toch die eerste jaren op papier te krijgen.

De hele familie, inclusief een bejaarde grootmoeder, komen terecht in Siberië. ‘Wat we toen niet beseften en ook niet konden beseffen was dat wij in de goede richting gejaagd werden.’ Daar redden de meesten het. maar uiteindelijk gaat het gezin verder naar het warme Samarkand, bij Oezbekistan.

De meesten keren na de oorlog terug in Polen. Bronia Davidson en haar moeder komen in Nederland terecht.

Kerstdiner

Eveneens niet gefingeerd is Auschwitz 13917. Hoe ik de Duitse concentratiekampen overleefde (Just Publishers, € 19,90) van Mirjam Blits (1916-2004). Blits schreef het verslag van haar gevangenschap in het Duitse vernietigingskamp Auschwitz in 1945 maar moest tot 1961 wachten tot het werd gepubliceerd.

Samen met haar man Eddy werd Mirjam Blits in 1943 in Amsterdam opgepakt door de SD. Uiteindelijk kwam ze in Auschwitz terecht waar ze bij aankomst Eddy voor het laatst zag en het nummer 13917 op haar arm getatoeëerd kreeg.

De nieuwe uitgave van Auschwitz 13917, waarin Mirjam Blits op wonderlijk nuchtere wijze niet alleen de verschrikkingen van het kamp beschrijft maar ook ontluikende liefdes, kerstdiners met bonen en de andere dagelijkse gebeurtenissen, heeft een kort voorwoord van haar neef, de acteur/schilder Jeroen Krabbé.

Holocaust in Palestina

Over een van de belangrijkste organisatoren van de Jodenvernietiging waaraan Blits ternauwernood ontsnapte, schreef Emerson Vermaat het vorige maand verschenen Adolf Eichmann. Technocraat van de Holocaust (Aspekt, € 24,95). Vermaat, die eerder boeken over de SS-leider Heinrich Himmler en NSB-voorman Anton Mussert schreef, wijdt veel woorden aan de banden tussen de grootmoefti van Jeruzalem Haj Amin Al-Husseini en Adolf Eichmann. Dat de twee elkaar kenden was al algemeen bekend en ook dat nazi-Duitsland de grootmoefti en andere radicale moslims koesterde. Maar volgens Emerson wist de grootmoefti niet alleen van de Jodenvernietiging in Europa, maar plande hij in samenwerking met Eichmann ook een Holocaust in Palestina. Die ging niet door doordat de Duitsers het Britse mandaatgebied Palestina niet wisten te veroveren. Toch bleef het doden van Joden een hoofddoel van de grootmoefti. ‘Dood de Joden waar u hen ook tegenkomt. Daarmee wordt God, de geschiedenis en de godsdienst behaagd’, zei Haj Amin Al-Husseini in een radiotoespraak in Berlijn in 1944.

Onkel Emil

Toespraken van Hitler zelf zijn opgenomen in Dagboek Berlijn. het verhaal van een Duitse verzetsvrouw van journaliste en verzetstrijdster Ruth Andreas-Friedrich (1901-1977). Vanaf 1938 hield ze tien jaar lang een dagboek bij. Hierin schrijft ze over het dagelijkse leven, maar gaat ook in op politieke gebeurtenissen.

Na de Kristallnacht peilt ze de reactie bij mede-redacteuren: ontstemming maar ook blijdschap dat ‘het vervloekte tuig er eindelijk eens van langs krijgt’. Tijdens de oorlogsjaren verzamelt ze met een groep distributiebonnen, brengt Joodse kinderen onder. Ze treedt toe tot de verzetsgroep ‘Onkel Emil’.

Interessant en schokkend is het deel na de oorlog – over de honger, plunderingen en verkrachtingen in Berlijn. Zo vergaderen half augustus Berlijnse artsen over de vraag of zwangerschappen voortijdig beëindigd mogen worden. ‘Het zaad, dat tijdens de eerste weken van mei door onze overwinnaars gezaaid werd, is intussen opgekomen. Nog zes maanden en duizenden kinderen zullen het levenslicht aanschouwen die hun vader niet kennen, die gewelddadig zijn verwekt, in vrees ontvangen en in afgrijzen geboren worden. Moet men ze laten afdrijven? [...] De helft van alle Berlijnse vrouwen werd verkracht, bevestigen rapporten. Tien procent werd geslachtsziek.’ Met het oog op voedselschaarste en woningtekort wordt er een soort gedoogbeleid door abortus toegepast: ‘in de loop van de volgende negen maanden zullen niet nog eens tienduizenden Russenkinderen extra geboren worden’. Het dagboek eindigt op 26 december 1948 wanneer Ruth Andreas-Friedrich toch besluit Berlijn te verlaten met 20 kilo bagage om naar het Westen te vluchten.