John wilde nooit zwart klinken

Wat heeft een vierde biografie over John Lennon nog aan nieuws te melden? Tim Riley plaatst grondiger dan voorgangers, Lennon in een maatschappelijke context.

John Lennon omstreeks 1969 Foto AP

Tim Riley: Lennon. De mens, de mythe, de muziek. Vertaling Maarten Polman, Melle Snijders, Piet Verhagen en Han Visserman. Ambo, 712 blz. € 39,95

De eerste echte biografie over John Lennon, van de Britse muziekjournalist Ray Coleman, was een sympathiek portret door een biograaf die zijn hoofdpersoon goed had gekend. De tweede, van de omstreden Amerikaanse publicist Albert Goldman, was een boosaardig relaas over een beestmens. En de derde, van de Britse auteur Philip Norman, was de meest uitgewogene – zeg maar gerust de beste. Hebben we, zo bezien, nog behoefte aan een vierde? Lennon, door de Amerikaanse popjournalist Tim Riley, gaat op die vraag niet in. De auteur vertelt zijn verhaal alsof het nooit eerder is verteld. Waarbij hij ook volop put uit de werken van zijn voorgangers

En de lezer? Die ziet toch weer aspecten belicht waaraan de vorige boeken goeddeels voorbij gingen. Zoals de gelijktijdige opkomst van de Beatles en het imago van Groot-Brittannië als culturele wereldmacht, het feit dat John Lennon – in tegenstelling tot veel andere pophelden – nooit zijn best heeft gedaan als een zwarte zanger te klinken, de bijzonderheid dat de Beatle-platen in Amerika veel meer galm kregen dan de oorspronkelijke Britse opnamen, en de tot doffe verveling stemmende voorspelbaarheid van de vragen die steeds door oppervlakkige journalisten werden gesteld. Want toen de Beatles nog bij elkaar waren en door velen als een hype werden gezien, luidde de vaste vraag: hoe lang denken jullie dit nog vol te houden? Waarna hen, toen ze eenmaal uit elkaar waren, voortdurend werd gevraagd of er wellicht nog een reünie in het vat zat. Om gek van te worden, inderdaad.

Oogstjaar

Riley besteedt veel aandacht aan de maatschappelijke context: de immense afstand tussen de Londense metropool en een naar de haven toegekeerde provinciestad als Liverpool, de politieke stemming in Groot-Brittannië ten tijde van de opkomst van de Beatles en die in Amerika toen Lennon doelwit was van de FBI, de vele Amerikaanse actiegroepen die hem graag voor hun karretjes wilden spannen en zijn muzikale ontwikkeling van folk en blues, theekist en wasbord, tot en met het klassieke koper en de strijkers en die op de latere Beatle-platen welkom waren. Niet alleen omdat Paul McCartney dat zo graag wilde, maar ook op aandringen van John Lennon. Verder reconstrueert Riley weer iets van de opwinding die de popmuziek halverwege de jaren zestig teweeg bracht. Al was het maar door de hits uit 1965 op te sommen, die stuk voor stuk klassiekers zijn geworden You’ve lost that lovin’ feeling van de Righteous Brothers, My girl van de Temptations, Eight days a week en Ticket to ride van de Beatles, Stop! In the name of love van de Supremes, The last time en Satisfaction van de Rolling Stones, Mr Tambourine Man van de Byrds en Like a rolling stone van Bob Dylan. Zelden was de oogst in één jaar zo ongelooflijk rijk.

Met veel inlevingsvermogen beschrijft de biograaf Lennons ontwortelde jeugd – vader liep weg en moeder liet zijn opvoeding over aan een strenge tante – en de levenslange instabiliteit die daaruit voortvloeide. Dat stond natuurlijk ook in die eerdere boeken, maar Riley legt toch weer andere verbanden. Zo vermeldt hij een veelbetekenende uitspraak die Lennon gedaan zou hebben nadat de Indiase goeroe Maharishi Mahesh Yogi in zijn ogen door de mand was gevallen: „Ik verwacht altijd te veel... Ik verwacht altijd mijn moeder en die krijg ik niet, dat is het”.

Lennons eerste vrouw Cynthia wordt in dit boek geprezen om ‘haar emotionele bestendigheid en onwankelbare toewijding’. Lennon verkoos echter de ‘creatieve stimulatie’ die Yoko Ono hem gaf. Yoko was volgens Riley een combinatie van Lennons moeder én zijn tante: de één losbandig en geestdriftig over de muziek van haar zoon, de ander burgerlijk en betuttelend.

Ook laat dit levensverhaal zien hoe Lennon en McCartney elkaar na hun artistieke hoogtepunt Sgt. Pepper nauwelijks meer beïnvloedden. Ooit waren ze ‘twee elkaar bestrijdende helften van één geheel’, maar later deed die interactie zich nauwelijks meer voor. En het was volgens Riley vooral Lennon die alleen kwam te staan. Hij maakte zijn nummers niet meer voor de groep, maar als uitlaat van zijn eigen particuliere perikelen. Zelfs aan de montage van hun mislukte filmpje Magical Mystery Tour (1967) werkten ze apart. Hooguit vonden ze elkaar sindsdien nog in een stukje samenzang of een instrumentaal loopje, maar niet meer in het creëren van nieuwe songs.

Weinig tijd

Tim Riley is niet alleen biograaf, maar ook criticus. Uit en te na bespreekt hij de Beatle-platen en de platen die John Lennon later als solist maakte. Hij doet dat in barokke recensententaal, die echter in de Nederlandse tekst – van vier(!) vertalers – te vaak op wartaal lijkt. Ze hebben zinnen geschreven als: ‘Deze plaat had de sfeer van zwaarbevochten vastigheid die de onafwendbare ondergang beteugelt’. Of: ‘Door een pagina uit Dylans podiumdraaiboek te lenen liet de garagerock een staaltje verbluf-je-vijanden te zien in plaats van het gangbare wees-slimmer-of-beter-dan-de-concurrentie’. En: ‘Het nummer gedijt nog steeds op een ritmische poëzie – op die energieke melodie en een vloeiend ritme, als een gedachte gevangen in een slipstream’. Een gedachte gevangen in een slipstream? Wat heeft de schrijver hier in vredesnaam bedoeld? Zulke passages ontsieren het boek in hoge mate.

Wat overblijft, is een relaas dat – net als de vorige biografieën – bewondering en verbazing wekt. Alles bij elkaar hebben de Beatles circa acht jaar bestaan. Daarna werkte John Lennon nog tien jaar verder als solist. Hij werd, door het dodelijke schot van een gestoorde jongeman, niet ouder dan veertig jaar. Het was een kort, veel te kort kunstenaarsleven waarin een duizelingwekkende hoeveelheid wondermooie liedjes is ontstaan. Zo veel werk in zo weinig tijd – daar kan steeds weer over worden geschreven.