Japanners zijn geen Amerikanen

Schitterende roman over een generatie Japanners, onder wie postorder-bruiden, die begin 20ste eeuw naar de VS verscheept werd. In WO II ‘loste ze op’ in interneringskampen.

Julie Otsuka: The Buddha in the Attic. Penguin / Fig Tree, 132 blz. € 18,-

Opeens moest ik denken aan Junichiro Tanizaki, de Japanse schrijver die in zijn jonge jaren volledig verwesterd was, om op latere leeftijd de rijkdom van de eigen esthetische tradities te herontdekken. In zijn essay In Praise of Shadows (1933) vierde hij het kleine, het minimale. En vooral: de schaduw die, anders dan het felle licht, zoveel nuances herbergt.

Julie Otsuka is een geboren Amerikaanse, maar haar esthetische sensibiliteit is gevormd door de cultuur van haar voorouders. Haar tweede roman, het met de PEN/Faulkner Award bekroonde The Buddha in the Attic, is een van de kleinste ‘grote’ romans die ik ooit heb gelezen – een spaarzaam en nauwgezet boek. In iets meer dan honderd pagina’s wordt een beeld opgeroepen van een hele generatie Japanse postorder-bruiden die aan het begin van de 20ste eeuw naar Amerika werd verscheept, uit vrije wil, of op instigatie van vaak armlastige families. Deze vrouwen leden een schaduwbestaan, ongezien door hun ook al onzichtbare Japanse echtgenoten, zwoegend op afgelegen velden of in de ‘Big Houses’ van gegoede, blanke burgers. Tot ze – een absolute schanddaad – tijdens de Tweede Wereldoorlog verdwenen in interneringskampen, volledig opgelost uit een maatschappij waarin ze half aanwezig waren.

Het boek opent in een hypnotiserende stijl, die tot het eind wordt volgehouden. ‘Aan boord van het schip waren we overwegend maagd. We hadden lang zwart haar en platte, brede voeten en we waren niet erg lang. Sommigen van ons hadden als klein meisje niets dan rijstepap gegeten, waardoor we enigszins gebogen benen hadden, en sommigen van ons waren nog maar veertien jaar oud en zelf nog kleine meisjes.’ De schepen arriveren in San Francisco, waar Japanse mannen wachten die niet zelden gelogen hebben over hun leeftijd en sociale positie. Velen zien de bestelbruiden als goedkope arbeid en seksslaaf. Stap voor stap neemt Otsuka ons mee door de verwarrende nieuwe wereld waarin de vrouwen beland zijn. De eerste huwelijksnacht. De ontmoeting met de blanken. De stoffige valleien, de stadjes, de onooglijke woningen waar ze slapen op planken en stro.

Door ervoor te kiezen de postorder-bruiden te laten versmelten tot een universeel ‘wij’, onderstreept Otsuka de gedeelde ervaring, hoe verschillend de vrouwen ook zijn – iets wat blijkt uit treffende details die juist individuele verhalen en karakters suggereren. Acclimatiseren valt deze generatie winkelbediendes, landarbeidsters en werksters zwaar. De meeste van hen krijgen kinderen, die zich voor hun moeders gebrekkige Engels schamen en liever Amerikaanse voornamen dragen. Maar langzaam worden de vrouwen zelfbewuster, sterker. Tot de oorlog komt, Japanse families beginnen te verdwijnen en het eigen vertrek naar het interneringskamp onvermijdelijk wordt.

Daarmee valt dit boek niet los te zien van Otsuka’s debuutroman When The Emperor Was Divine (2002), een eveneens compacte roman waarin vanuit verschillende perspectieven het verhaal wordt verteld van één geïnterneerde familie, van het moment dat de aanplakbiljetten verschijnen – die velen ertoe aanzetten zonder morren de koffers te pakken – tot het trauma dat rest bij terugkeer.

Hoewel The Buddha in the Attic een veel ruimere periode behandelt, werkt alles naar de internering toe: voor Otsuka dé bepalende ervaring in de levens van de eerste generaties Japanse immigranten. Ze roept daarmee fundamentele vragen op. Niet alleen: wie ben ik en wat is mijn culturele identiteit? Maar vooral: hoe zien anderen me, waar vermoeden ze dat mijn loyaliteit ligt, en hoe beïnvloedt dat hun loyaliteit aan mij?

Over de internering van ruim 110.000 aan de Amerikaanse westkust woonachtige Japanners en Japanse Amerikanen wordt meestal gezwegen. Ze was het direct gevolg van de door Franklin Delano Roosevelt getekende Executive Order 9066. Toch maken de vele biografen van FDR er maar een handvol woorden aan vuil. De daad, een onbegrijpelijke aanval op burgerlijke vrijheid, lijkt niet bij de sociaal bewogen president te passen. Maar zoals Greg Robinsons in zijn bedachtzame By Order of the President; FDR and the internment of Japanese Americans (2001) liet zien, had FDR in zijn leven stevige vooroordelen over Amerikanen van Japanse komaf ontwikkeld. Ze zouden, zo meende hij, biologisch niet in staat zijn ‘echte Amerikanen’ te worden. Hoewel rapporten van onder anderen J. Edgar Hoover indianenverhalen over wapens hamsterende verraders ontzenuwden, bleek Roosevelt door zijn eigen vooroordelen bevattelijk voor de angst dat de vijand al binnen was. Het valt niet los te zien van de paranoïde sfeer na Pearl Harbor.

In het slothoofdstuk van The Buddha in the Attic verschuift het perspectief naar dat van Amerikanen die zich geconfronteerd zien met de verdwijning van landgenoten die ze tot dan nooit werkelijk waren opgevallen. Sommige maken van de mogelijkheid gebruik om verlaten huizen te betrekken, inboedels te stelen en klanten over te nemen. Andere vragen zich – soms oprecht, soms niet vrij van hypocrisie – af waar de Japanners kunnen zijn, waarom ze gedeporteerd moesten worden, en wanneer ze weer terug zullen komen. Al was het maar omdat je je wasgoed beter bij een Japanse dan een Chinese wasserette kunt afleveren.

Dat Otsuka hier een aantal citaten gebruikt van Donald Rumsfeld verraadt dat ze meer wil dan alleen de eerste generaties Japans-Amerikaanse vrouwen eren. De goede verstaander wordt een tijdloze les meegeven over wat er gebeurt wanneer een bevolkingsgroep als inherent anders, deloyaal en dubbelhartig wordt aangemerkt. Moslims in Amerika kunnen er sinds 11 september over meepraten.

Wie The Buddha in the Attic leest, kan dat het best zo langzaam mogelijk doen. Zoals Junichiro Tanizaki in een schaduwrijke alkoof na verloop van tijd subtiele schoonheid ontdekte, zo moet je dit ogenschijnlijk bescheiden boekje de kans geven te ontluiken. Dan ontdekt je het ware gewicht, dat niet in het papier zit, maar in de woorden.