Invaliden fouilleer je niet

Stephan ter Borg: Orang-Oetans drijven niet. Prometheus, 240 blz. € 17,95

‘Je houdt het maar even op’, zegt de man tegen zijn vrouw wanneer zij hem vertelt dat ze, een paar weken voor de uitgerekende datum, de weeën voelt opkomen. Veel botter krijg je het niet, natuurlijk, maar het is niet het enige dat deze niet zo fijne man te zeggen heeft. Want als hij zijn zoon een paar uur later onder ogen krijgt, constateert hij dat er iets niet in orde is: ‘Hij is nog niet af’. Dat is te zeggen: het kind is reusachtig, maar ook gehandicapt. Ernst zal door het leven gaan als een reus die nooit zal praten en nooit zindelijk zal worden.

De eigenlijke hoofdpersoon van Orang-oetans drijven niet, de debuutroman van Stephan ter Borg (1985), is de jongere broer van Ernst, een jongen met meer talenten dan zijn broer en meer empathie dan zijn vader, maar met een schrijnend gebrek aan ambitie – al is dat misschien ook te wijten aan de omgeving waarin hij opgroeit. Het dorp Hilversum maakt in de roman een nog ziellozer indruk dan de televisieprogramma’s die er vandaan worden uitgezonden.

De verteller beziet het allemaal met een navoelbaar cynisme. Hij weigert zich te voegen naar wat er zoal van hem wordt verwacht (studeren bijvoorbeeld) en brengt zijn dagen voornamelijk luierend door. Hij houdt afstand en probeert alle mogelijke confrontaties uit de weg te gaan – niet in het minst die met zichzelf.

Zoals blijkt uit de goed geformuleerde zinnetjes die hij de vader in de mond legt, kan Ter Borg scherp en geestig schrijven. Vilein laat hij de hoofdpersoon de tocht van zijn vader in de gemeentelijke bureaucratie beschrijven: ‘Mijn vader zoog zich als een teek vast in de gemeentelijke procedures.’ Of de beschrijving van de cultuur van veertigjarige vrouwen die in Bussumse cafés op zoek zijn naar een scharrel, waar de jonge hoofdpersoon zich overigens graag voor aanbiedt. Want, zoals er ineens nogal plompverloren staat: ‘Ik begrijp niet dat er jongens zijn die de voorkeur geven aan meisjes van hun eigen leeftijd. Oudere vrouwen zijn beter.’

Dat zijn ze vooral omdat ze hem niet confronteren met zijn kolossale gebrek aan ambitie. Want hoewel hij best zou kunnen studeren, beperkt hij zich tot een goedbetaald baantje als fondsenwerver voor goede doelen op straat, waarbij hij zonder schroom complete landen, hongersnoden en dictators verzint: ‘Alleen zo kan er een einde komen aan het schrikbewind van generaal Orangina.’

Ter Borg heeft, en zo hoort het bij een debuut, besloten heel veel tegelijk te doen. In de eerste plaats een geestige roman schrijven – waarin hij helemaal is geslaagd, zie ook de tragikomische Werdegang van het café dat de vader opent in Hilversum. Daarnaast heeft hij de liefde van een jongen voor zijn oudere, gehandicapte broer willen vastleggen, de vluchtwegen van een vrouw in een onmogelijk huwelijk en de moeilijke positie van een Turkse jongen met een autoritaire vader. Terwijl het verhaal door de aanwezigheid van een straatbende ook nog iets van suspense moet hebben – compleet met vuurwapens.

Dat is wat veel, waarbij het ook niet helpt dat Ter Borg niet alleen oog heeft voor geestige formuleringen, maar soms ook een blinde vlek voor lelijke uitdrukkingen (‘ondanks het feit dat’) en stijlbreukjes. Hij wil zo veel zo geestig formuleren dat het boek trekken krijgt van een eindeloos voortrazende column – waarbij de ervaring van Ter Borg bij Propria cures voordeel en nadeel ineen is. Dat drukt op de andere kwaliteiten van de roman, want die zijn er wel degelijk: zo bevat het een mooi portret van de moeder van de familie, die doet wat haar zoons niet kunnen of willen: ze gaat studeren. In de collegezaal krijgt ze kennis aan een zekere Boy, waarbij de gebeurtenissen (een spiegeling van de oudevrouwenliefde van haar zoon) onaangename overeenkomsten vertonen met de relatie tot haar man.

Sterk is ook de verhaallijn waarin alleen de leider van een Hilversumse straatbende (ja, dat bestaat) de gehandicapte Ernst als enige niet beklaagt, maar respecteert. En vervolgens voor het eigen karretje spant, want welke supermarktbeveiliger fouilleert een gehandicapte? Het is een aangenaam hoekig deel van het verhaal, gedragen door Ter Borgs evidente afkeer van braaf moralisme. Dat die misdaadlijn van het verhaal vervolgens ontspoort in merkwaardige, zo nietgen idiote ontwikkelingen, moeten we dan maar voor lief nemen.

Bovendien besluit Ter Borg zijn boek sterk, met een tot mislukken gedoemde ontsnappingsactie, die in weerwil van het bijdehante cynisme van de hoofdpersoon toch maar mooi wordt gedragen door iets wat alleen maar echte liefde kan zijn.