Getergde Bin Laden voelde leiding Al-Qaeda aan zich ontglippen

Gisteren kwam in de VS het rapport ‘Letters from Abbottabad’ uit, met teksten van en over Osama bin Laden. Hij was niet tevreden over de ontwikkeling van Al-Qaeda.

Een Pakistaan fotografeert zijn dochtertje op de plek in Abbottabad, waar tot voor kort het huis stond, waarin Osama bin Laden zich jaren schuil hield. De woning is inmiddels afgebroken. Foto AP

Met groeiende frustratie moest Osama bin Laden in zijn laatste jaren op zijn onderduikadres in Pakistan zien hoe medestanders de naam van Al-Qaeda zijns inziens bezoedelden met acties die naar zijn maatstaven niet strookten met de islam. Zonder dat hij er veel aan kon veranderen. „Bin Laden leed onder wat hij beschouwde als hun incompetentie”, schrijven de auteurs van het gisteren vrijgegeven Amerikaanse rapport ‘Letters from Abbottabad’.

Het rapport van het Combating Terrorism Center, een onderzoekscentrum van de Amerikaanse militaire academie in West Point dat zich richt op de bestrijding van het terrorisme, berust onder meer op zeventien brieven, die deels van Bin Laden zelf stammen, en deels van zijn medewerkers. Computerbestanden met de brieven werden door Amerikaanse militairen in beslag genomen, die Osama bin Laden op 2 mei doodden in zijn schuilplaats in de Pakistaanse stad Abbottabad. De zeventien brieven maken overigens maar een fractie uit van een totaal van circa 6.000 documenten dat in handen viel van de Amerikanen.

In het bijzonder maken Bin Laden en zijn medestanders zich druk over de talrijke bomaanslagen in Irak en Pakistan waarbij uit naam van met Al-Qaeda geaffilieerde groepen willekeurige moslims in groten getale werden gedood en verwond. Het ergerde Bin Laden ook dat zulke groepen zich leenden voor de beslechting van lokale conflicten. Volgens hem dienden ze zich te concentreren op de hoofdvijand, de Verenigde Staten.

Bin Laden besefte kennelijk dat het doden van zoveel moslims bij terroristische aanslagen Al-Qaeda bij de bevolking in diskrediet bracht. „Ik ben van plan een verklaring uit te geven dat we een nieuwe fase beginnen om de fouten te corrigeren die we hebben gemaakt”, schrijft hij in 2010. „Als God het wil, zullen we door dat te doen het vertrouwen herwinnen van een groot deel van degenen die hun vertrouwen in de strijders van de jihad hebben verloren.”

Bin Laden gaf ook opdracht tot moordaanslagen op onder meer president Barack Obama en de Amerikaanse bevelhebber in Afghanistan, generaal David Petraeus, inmiddels hoofd van de CIA. Maar er zijn geen aanwijzingen dat hier serieus werk van is gemaakt. Niet voor niets luidt de ondertitel van het rapport ‘Bin Ladin Sidelined?’ (de onderzoekers duiden hem aan als Usama bin Ladin).

Veel van wat Bin Laden via zijn brieven suggereerde werd tot zijn ergernis genegeerd. „Bin Ladin zit op het operationele niveau niet op dezelfde golflengte als de regionale groepen die een jihad voeren”, concluderen de onderzoekers in hun rapport.

Ook maakte hij zich zorgen over zijn historische nalatenschap. „Degene die zijn eigen geschiedenis niet bekend maakt”, schreef Bin Laden aan een van zijn medewerkers, loopt het risico „dat sommigen in de media en onder historici een geschiedenis voor hem maken, waarbij ze wat voor informatie dan ook gebruiken, ongeacht of die nauwkeurig is of niet.”

Ook overwoog hij de naam van zijn beweging te veranderen. Het zat hem dwars dat de oorspronkelijke naam Al-Qaeda al-Jihad doorgaans werd afgekort tot Al-Qaeda (De Basis, in het Arabisch). Daarin kwam de religieuze inspiratie onvoldoende tot uiting, meende Bin Laden.

Interessant is ook dat uit de brieven nergens blijkt dat Bin Laden hulp kreeg van Pakistaanse inlichtingendiensten. De verdenking dat hij die wel kreeg vloeide onder meer voort uit het feit dat hij een schuilplaats in Abbottabad bewoonde op een steenworp afstand van de belangrijkste militaire academie van Pakistan. In één brief waarschuwt Bin Laden een medewerker uitdrukkelijk erop te letten dat de inlichtingendiensten zijn familieleden niet volgen op weg naar zijn schuilplaats. Dat duidt niet op nauwe samenwerking.

Enkele thema’s uit het rapport:

‘Arabische Lente’. Met grote belangstelling volgde Bin Laden in de laatste maanden van zijn leven de omverwerping van de Tunesische president Ben Ali en diens Egyptische ambtgenoot Hosni Mubarak. In zijn laatste brief van 25 april 2011 sprak hij van een „formidabele gebeurtenis”. Volgens hem was de val van „de resterende Arabische tirannen onvermijdelijk” geworden. Hij zag er nieuwe kansen in voor radicale bewegingen als die van hemzelf „als we onze inspanningen verdubbelen” op het terrein van onderwijs en voorlichting.

Relatie met Iran. De onderzoekers komen tot de conclusie dat de betrekkingen van Al-Qaeda met Iran zeer gespannen zijn geweest. De spanningen hingen mede samen met het feit dat Iran nogal wat strijders van Al-Qaeda en verwante organisaties vasthield en ook enkele familieleden van Osama bin Laden zelf.

Al-Shabaab in Somalië. Bin Laden voelde om pragmatische redenen niet voor een formeel verbond met de Somalische radicale groep Al-Shabaab, al had de groepering daar kennelijk om gevraagd. In een brief van Bin Laden zou Al-Shabaab daardoor slechts onnodig veel extra aandacht trekken van „vijanden”. Dat was volgens de Al-Qaeda-leider wat ook gebeurd was in Irak en Algerije. Ook zou Al-Shabaab zonder formele link met Al-Qaeda op meer financiële steun kunnen rekenen van „Arabische kooplieden”. Ook zou het de kans op humanitaire hulp voor Somalië vergroten. „Sommige moslims in Somalië lijden geweldige armoede en ondervoeding”, aldus Bin Laden. Na Bin Ladens dood kwam er alsnog een formeel verbond tussen Al-Shabaab en Al-Qaeda.

Jemen. Bin Laden waarschuwde de leider van een verwante groepering in Jemen om zich niet meester te maken van de regering en een islamitische staat te vestigen. Daardoor zouden ze zich zeer kwetsbaar maken voor vergelding van Amerikaanse kant. „De vijand bezit nog steeds het vermogen om welke staat dan ook die we vestigen ten val te brengen”, schreef hij.

De Verenigde Staten. Al-Qaeda voelde zich te kort gedaan, toen de regering-Obama in 2010 zich ging concentreren op de economische problemen zonder vermelding van de rol van de oorlog en Al-Qaeda daarbij. „Alle politieke gesprekken in Amerika gaan over de economie, waarbij de oorlog wordt vergeten of genegeerd en de rol die die speelt bij de verzwakking van de economie", schreef Adam Gadahn, een medewerker die zelf uit de VS afkomstig was.