Exil is nu geen exil meer

Schrijven tussen twee culturen was lange tijd in de mode. Maar dergelijke boeken zijn uit het literaire straatbeeld verdwenen. Wat is er met deze schrijvers gebeurd en wat is er aan hun nieuwe boeken veranderd?

Lola Shoneyin: Geheime levens. Vertaald uit het Engels door Marion Drolsbach. Sijthoff, 256 blz. €17,95

Rajesh Parameswaran: I am an Executioner. Love Stories. Bloomsbury, 260 blz. € 20,-

Joydeep Roy-Bhattacharya: De verhalenverteller van Marrakech. Uit het Engels vertaald door Anneke Blok, De Geus, 350 blz. € 20,-

Nog geen tien jaar geleden was de Exil-auteur een populair verschijnsel in de internationale schrijverswereld. Iedereen wilde horen hoe de koloniën ‘terugschreven’, schrijvers als Arundhati Roy en Salman Rushdie – ook vóór de fatwa – maakten naam als bruggenbouwers tussen Oost en West. Ook in Nederland was ‘literair ballingschap’ hipper dan het sinds het interbellum was geweest, zozeer zelfs dat er een Boekenweek met het thema ‘Het land van herkomst – Schrijven tussen twee culturen’ was. Rushdie schreef dat jaar het boekenweekgeschenk. Astrid Roemer, Surinaamse in Nederland, Henk van Woerden, pendelend tussen Zuid-Afrika en Nederland, Fouad Laroui, Marokkaan, Fransman én Nederlander: lezers zaten op hun ontheemdheid te wachten.

Het zijn schrijvers van het soort voor wie in Zuid-Afrika ooit de term soutpiel werd bedacht: iemand die met het ene been in het ene, met het andere in een ander continent hangt. Het geslacht bungelt in zee en zo krijg je een ‘zoute pik’.

‘Exil is in de mode’ zei Ian Buruma in 2000 tijdens zijn Huizinga-lezing. Niet alleen de schrijver die verbannen werd uit zijn thuisland, maar ook degene die kiest voor een zwervend bestaan, tooide zich graag met dit etiket. Het waren schrijvers die vanuit een sterk engagement, persoonlijk en politiek, boeken bleven schrijven over het land van hun jeugd, maar die vooral het accent legden op de onthechtheid die ze ervoeren nu ze niet meer in – en voor – hun land van vorming schreven.

Inmiddels zijn de kaarten anders geschud. Auteurs in exil zijn er nog wel, maar je hoort ze steeds minder. Globalisering is het sleutelwoord. Tegenwoordig hebben we schrijvers als Aravind Adiga en Mohammed Hanif, die schrijven voor Engelse en Amerikaanse uitgevers maar wonen in India en Pakistan. Hun boeken worden niet alleen in het Westen gelezen, maar ook in hun land van herkomst. De Exil-schrijver is kortom grotendeels uit het literaire landschap verdwenen. Hoe kan dat en waar is hij gebleven?

Onlangs verschenen er drie boeken met zout aan de bladzijden, van schrijvers ‘tussen twee culturen’, een mooi moment om de balans op te maken en het lot van de literaire exil te inventariseren. Joydeep Roy-Bhattacharya schreef De verhalenverteller van Marrakech: de auteur woont in New York, werd geboren in Jamshedpur (India). Van Lola Shoneyin werd haar debuut De vrouwen van Baba Segi vertaald. Zij woont nog steeds in Nigeria, maar groeide op in Schotland, haar uitgever is Brits en haar grote voorbeelden zijn Margaret Atwood en Toni Morrison. En Rajesh Parameswaran, die onlangs debuteerde met I Am An Executioner, is geboren in Chennai, India, en verhuisde al op jonge leeftijd naar Amerika. Open stad van de in Nigeria geboren New Yorker Teju Cole verscheen onlangs in vertaling (besproken in Boeken 20.04.12).

Wat gebeurt er wanneer je deze boeken langs een exil-meetlat legt? Zijn het boeken die zich tussen twee culturen in bewegen, overheerst de ontheemding en de heimwee naar thuis of spelen ze zich af in het geadopteerde thuisland – dat in elk geval het land van de lezers is – en gaat het hier vooral om onthechting?

Wie De vrouwen van Baba Segi leest, vindt geen onthechting. Dit is een familieverhaal over de dikke overheersende polygamist Baba Segi. De vierde vrouw, die als enige gestudeerd heeft, krijgt geen kinderen, en dus heeft ze eigenlijk niets te zoeken in het gezin. In al haar kennis begrijpt ze niet wat de andere vrouwen wel begrepen: bij te weinig of onvruchtbaar zaad, haal je het ergens anders en zwijgt erover. Een prima familieverhaal, dat ook getuigt van betrokkenheid met de rol van de vrouw in veel landen met polygamie.

Maar voor welk publiek is het? Het zou onzin zijn dit boek louter als aanklacht te lezen. Voor westerse lezers is dit boek als een goede soap met een authentiek sausje, maar is het verhaal niet expliciet aan Nigeria gekoppeld.

Joydeep Roy-Bhattacharya gaat een stap verder in het lokaliseren van zijn boek. Hij begint De verteller van Marrakech met de constatering dat de werkelijkheid niet bestaat. Gelukkig is het een personage dat dit cliché in de mond neemt, en dat de lezer gezellig en ruimhartig begint toe te spreken als een verteller in de beste 19de-eeuwse traditie: ‘Zoals alle goede verhalen is het een liefdesverhaal, maar het is ook een mysterie’. Het is in elk geval een verhaal voor iedereen: ‘Welke taal spreek je, vreemdeling? Engels? Goed, ik zal mijn best doen, hoewel mijn Frans beter is en Arabisch natuurlijk het gemakkelijkst zou zijn. Vertel eens waar je vandaan komt? Van ver weg? Oké.’

En deze Hassan heeft gelijk, wat hij wil vertellen is een verhaal voor iedereen, het plot ervan zou zonder de exotische trekjes probleemloos aan de basis van een literaire thriller kunnen liggen: de vertelling draait om het opsporen van vermiste toeristen. Hij vertelt het verhaal elk jaar opnieuw, en de vaste luisteraars dragen er elk jaar meer aan bij, zodat het geheel een vermenging van fantasie en herinnering wordt, een ritueel.

Het is een clichématig boek, maar wel valt op dat een in India geboren auteur die in New York woont een plein in Marokko als uitgangspunt neemt. Dat gebeurt vanuit een wereld die iedereen kan invullen: zwoele nachten, de lastige balans tussen zinnelijkheid en zedelijkheid, en dat gelardeerd met vijgensoep, muntthee en tajine. De manier waarop Roy-Battacharya de jeugd van die jongens beschrijft – met een hardvochtige vader, drie broers die dromen van ontmaagding – is vrij gewoontjes. Het idee is dus sympathieker dan de uitwerking, maar het is duidelijk wat hij beoogt: de wereld is een plein waarop verhalen verteld worden. Jammer dat het verhaal de Midden-Oostenkitsch niet overstijgt.

De plaats van herkomst speelt een nog kleinere rol in de verhalenbundel van Rajesh Parameswaran. De fantasierijke vertellingen in zijn debuut I Am An Executioner gaan de ene keer over een verliefde tijger, dan weer over een immigrant die Thanksgiving leert kennen of een Indiase wisselwachter; ze spelen zich overal af: India, Amerika, plaatsloos.

Het titelverhaal is een schitterende vertelling over een trotse beul, die steeds meer gehaat wordt door zijn omgeving. Zijn eerste vrouw is weggelopen, zijn tweede vrouw praat niet meer met hem en in het bordeel is hij ook niet langer welkom wanneer bekend is wat zijn beroep is. En dat terwijl deze simpel pratende man alleen maar zijn best doet zijn vak zo goed mogelijk uit te voeren. Hij is eerlijk tegenover de veroordeelden, doet kruiswoordpuzzels met ze en speelt galgje. De executies voert hij goed uit, naar eigen zeggen.

Vaag is in welk land dit verhaal zich afspeelt, en het doet er ook niet toe. Parameswarans verhalen hebben niets met ontworteling van een land te maken, maar met het vinden van de juiste omgeving voor zijn schitterende portretten. De cultuurverschillen zijn er wel, maar waar die zich voordoen, dat doet er niet meer toe.

Een boek dat het eind van de exil-literatuur wellicht het mooist symboliseert is Open stad, van Teju Cole. Zijn eenzame hoofdpersoon Julius, een Nigeriaanse psychiater, verkent te voet zijn woonplaats New York. Central Park, de bibliotheek, alle bekende plekken passeren de revue, maar ook de geschiedenis van de slavernij en de kolonisatie komen langs bij de lange wandeltochten door de open stad; net als Cole is zijn hoofdpersoon geïnteresseerd in de historische achtergrond van New York. Niet vanwege zijn ‘wortels’ met zijn eigen land van herkomst. Typerend is dat hij wat geërgerd is wanneer een museumsuppoost of de taxichauffeur hem op zijn Afrikaanse achtergrond aanspreekt. Het is niet zo dat hij daar niet in geïnteresseerd is – hij reist naar Brussel omdat hij denkt dat zijn oma daar in het verzorgingstehuis zit. Het is het enige deel van het boek dat je ‘plot’ zou kunnen noemen, verder meandert alles voort op dezelfde kalme manier als Julius’ wandelingen door de stad.

Cole is indrukwekkend in zijn nonchalante toon, je hebt het gevoel een instant klassieker te lezen. Wil je het boek plaatsen dan valt op dat Open stad vooral heel erg New Yorks is. Cole kan gebruik maken van het feit dat zo ongeveer iedereen in de wereld die een beetje deelneemt aan het culturele leven, weet wat het verschil is tussen Manhattan en Brooklyn. Maar nergens krijg je de indruk dat het gaat over het verschil tussen oost, west, noord, zuid of over het zoute water ertussen. Die vrijheid van ruimte kenmerkt al deze boeken.

De lotgevallen van Baba Segi laat zich lezen als een soap met een wat ongewone premisse, De verhalenverteller van Marrakech verpakt zijn literaire thrillerplot in een ouderwetse kampvuurvertelling en is in wezen net zoveel een knipoog naar de Canterburry Tales als De vertellingen van 1001 nacht. Over I am an exectioner valt in dit verband al helemaal niet veel te zeggen: dat is ‘gewoon’ een verhalenbundel, zij het een erg goeie. De verrassing van het exotische perspectief is eraf. Authenticiteit (‘het echte India’, ‘de traditie van 1001 nacht’) is een marketingkreet geworden.

Dankzij de globalisering is het gevoel van ontheemding verdwenen. Iedereen kan over alles schrijven: een Indiase auteur over Marokko, een Nigeriaan in New York over de Nederlandse 17de-eeuwse geschiedenis. Iedereen kan kosmopoliet zijn. En dat zag Salman Rushdie ook al toen hij in 2000 een orthodoxe hindoe-traditie omschreef: iedereen die de oceaan oversteekt verliest zijn kaste – en dat werkt even ontwortelend als bevrijdend.

Natuurlijk bestaat literaire ballingschap nog wel. Toen Salman Rushdie in januari naar het Jaipur Literair Festival zou komen, veroorzaakten protesten van prominente Islamisten een sfeer waarbij de politie gretig aankondigde dat ze zijn veiligheid niet konden garanderen. Rushdie trok zich terug, literair ballingschap in de praktijk. Maar hij pakte de pen op, schreef erover, want intellectueel exil is voorbij. Literatuur is een open stad, personages zijn overal en nergens thuis.