DWDD-poëzie voor de echte man

Noem de gedichten van John Schoorl maar ‘ready mades’. Beetje Barbarber, beetje Buddingh, beetje Bril. Ze kunnen zo de krant in – ter verbazing of overpeinzing.

John Schoorl: Bukshag. Gedichten. Van Gennep, 108 blz. € 17,90.

De poëzie ligt voor het oprapen, als je er maar oog voor hebt. In Vlaanderen, in de streek rondom Ieper bijvoorbeeld, waar zich honderd jaar geleden in de loopgraven de Groote Oorlog afspeelde. John Schoorl (1961), journalist bij de Volkskrant, en dichter, loopt er rond en hoeft weinig anders te doen dan zijn ogen open houden en noteren wat hij ziet. Het is de treurige aanblik van de toeristenindustrie. ‘In de loopgraaf bij de / Hooge Crater klinkt plotseling / gegil uit de ernaast gelegen wildwaterbaan, / schuin tegenover het Engelse kerkhof.’ Het is al heel gauw pijnlijk, en ook al heel gauw pijnlijk grappig: ‘Een rolstoel komt vast te zitten / terwijl van tevoren / was gezegd dat de loopgraaf / rolstoelvriendelijk zou zijn.’ Zo staat de dichter daar zijn indrukken te noteren, een eeuw na de War Poets in hun Flanders Fields. Schoorl probeert afzijdig te blijven, in zijn reeks ‘Vlaamse Velden 2.0’, maar dat lukt hem uiteindelijk toch niet. ‘En dan sta ik daar / in Vlaamse Velden / met een pocket oorlogsdichters / bij de Last Post nog te janken ook.’

Alle ingrediënten uit deze reeks (droge waarneming, lichte spotzucht, oud sentiment) zijn in de gedichten van Schoorl altijd wel aanwezig, maar in verschillende mengverhoudingen. Zie het portretje van Paus Johannes Paulus II, opgebaard na zijn dood in 2005. De toon ervan is moeilijk te omschrijven. Er zit iets van medelijden in, maar duidelijk ook van leedvermaak. Ook de leider van de kerk heeft niet het eeuwige leven, dat lijkt de smalende gedachte van Schoorl te zijn. Het is wat je noemt een oneerbiedig gedicht. Maar ik geef toe dat ik ook meteen in de lach schoot. ‘Kijk hem daar eens liggen, / opgebaard en wel. // Ik zie de zolen, / van zijn rode, glimmende instappers.’ De humor zit volgens mij in het gebruik van het alledaagse, sullige woord ‘instappers’ bij deze eerbiedwaardige gelegenheid. Als een cabaretier gaat Schoorl nog even door. ‘Ze zijn gloednieuw, / en zeker niet ingelopen.’ En dat zal ook niet meer gebeuren, denken wij er dan vanzelf achteraan.

Met dezelfde ingrediënten, maar in een iets andere mengverhouding, komt Schoorl ook tot een heel ander soort poëzie. In een reeks moordgedichten, geschreven voor het true crime-tijdschrift Koud bloed, schrijft hij, tussen korte notities bij de gewelddadige dood van Willem van Oranje, Pim Fortuyn en Theo van Gogh door, ook een klein monument voor de onopvallende anonieme dode.

Overal worden moorden op beroemdheden beraamd, maar intussen blijft de dood ook stilletjes zijn dagelijkse werk doen. ‘In het licht / van de geschiedenis / valt een steen // op een man / die toevallig // door een donkere / straat loopt.’ Zo kan je ook aan je eind komen. Het is een gedichtje van niks. Het is niet erg grappig, het is niet erg sentimenteel – het is droge waarneming, met zowaar een zweem van wijsheid erin.

De gedichten van John Schoorl zijn uit het leven gegrepen. Zo zien ze er althans uit: alsof ze al klaar lagen en alleen nog maar hoefden te worden opgeschreven. Journalistenpoëzie. Notities, invallen, columnpjes, geintjes, alledaagse waarnemingen, alledaagse dichterlijkheden, alles zonder rijm. Ze zouden ook in een hoekje op de voorpagina, of de achterpagina, van een krant kunnen worden afgedrukt, ter dagelijkse verbazing of overpeinzing. Je zou ze ‘ready mades’ kunnen noemen, en zo wil Schoor ze zelf ook graag voorstellen. Zie de titel van zijn bundel: Bukshag. Bukshag is shag van opgeraapte peukjes sigaret, shag waarvoor je je moet bukken dus. De bijbehorende betekenis is: afval, armoede, tweedehands, gevonden voorwerp, iets zonder waarde, samenraapsel.

Een dichter die zijn gedichten ‘bukshag’ noemt, is een dichter die steeds alert is: voorovergebogen, op zoek naar kant en klare straatvondsten. Deze houding levert het soort harde straatpoëzie op dat we ook kennen van C.B. Vaandrager, Armando, Jules Deelder en Rikus Waskowsky. En net als deze dichters heeft Schoorl een voorliefde voor taaltjes en subtaaltjes – en voor reeksen. ‘Een clean exit voor Frommer’ is zo’n reeks, van 43 korte notities, over een man (Frommer) die volledig verstrikt is geraakt in de wereld van geld, veel geld, vastgoed en vastgoedfraude.

Het is een reeks met veel modern jargon en zakenwereldtermen (clean exit, gouden hallo, gifkrediet). Lekker staccato gekaats van korte kekke zinnetjes. Het klinkt goed, maar ik begreep er niet veel van. ‘Omcodeer de bron, / en de opstand / maakt een goede / kans. // Geld doet koeienstal.’

In hetzelfde genre, maar dan veel korter, vinden we de reeks ‘Very new journalism’. Het eerste deel is erg sterk:

Verslaggever: Hoe was uw jeugd?

Man: Fijn.

Verslaggever: Waarom?

Man: Ik had een buks en een kano.

Commentaar overbodig. Niks meer aan doen. Maar Schoorl laat er nog drie varianten op volgen, telkens met een andere slotregel, en alle drie minder sterk. Dan wordt het melig. Een maniertje.

Ik weet niet zo goed wat ik van de poëzie van John Schoorl moet vinden. Schoorl doet toontjes. Soms een toontje Eijkelboom, als het als echte nadenkelijke poëzie moet klinken (‘Wat te zien is, / is niet alles / wat er is / te vinden.’) Soms een toontje Barbarber. Soms een toontje Buddingh’. Soms een toontje Bril. Onder alles hoor ik het toontje dat het de laatste jaren in brede kring zo goed doet: het toontje Nico Dijkshoorn. Snelle gelegenheidspoëzie, snelle lach, met rake regels en een treffend beeld hier en daar – en veel nostalgie: ouwejongenskrentenbrood, bier, popmuziek, jeugdsentiment.

Stoer, maar met een snik erin. We moeten wel begrijpen dat deze kritische journalist en harde straatdichter in wezen nog steeds een heel gevoelige jongen is gebleven. De eerste en de twee laatste gedichten van Bukshag zijn een ode aan zijn overleden vader en moeder. De weemoed (‘vadertje, o vadertje’, ‘moedertje, o moedertje’, tranen, bier, schaatsen) druipt ervan af. Spreken wij van DWDD-poëzie – stoere poëzie voor de rijpere man.