Duizelen van snelle avonturen

Thimothée de Fombelle: Vango. Een prins zonder koninkrijk. Uit het Frans vertaald door Eef Gratama. Querido, 401 blz. € 18,95. 13+

Nog voordat het eerste deel was verschenen, werd al gesproken over het ‘magnum opus’ van Thimothée de Fombelle. Zijn tweeluik in wording werd vergeleken met De graaf van Monte Cristo (1844). Of Vango – avontuur van de opgejaagde jongeling Vango Romano tijdens het interbellum en WO II – inderdaad een meesterwerk is, moet nog blijken.

Evenals zijn landgenoot, kiest ook De Fombelle schaamteloos voor vermaak van zijn lezers door op de juiste momenten prikkelende cliffhangers te plaatsen en een stukje geschiedenis – die van het einde van de Russische tsarenfamilie Romanov – brutaal te romantiseren.

Vango vliegt letterlijk en figuurlijk heen en weer in tijd en ruimte. Ook in het slotdeel, Een prins zonder koninkrijk. Met zeppelins, vliegtuigjes, auto’s, stoomboten en paarden reist hij van Amerika, naar Frankrijk, de Eolische eilanden, nazi-Duitsland en weer terug.

De Fombelle doet dat filmisch en met oog voor historische details en couleur locale: Marlene Dietrich klinkt in de Europese café en op Broadway veroorzaken de Ziegfeld Follies iedere dag ‘een dansende stroom toeschouwers’. Bovendien dwingen ook de talrijke personages en het razende tempo van de opeenvolgende verwikkelingen je tot nauwkeurig lezen.

Als je iets mist raak je verstrikt in de complexe plot, die wordt voortgestuwd door Vango’s jacht op de moordenaar van zijn ouders. Dat levert spannende achtervolgingsscènes op, met belangrijke rollen voor Viktor Voloj – wapenhandelaar en Russische spion in dienst van Stalin – en Vango’s oude vriend, de monnik Zefiro. Hoogtepunt is de ramp met de Hindenburg in 1937, de zeppelin van Hugo Eckener, en de onverwachte hereniging van Vango met zijn geliefde Ethel.

Zeker, de momenten dat Vango worstelt en zich op een existentieel kruispunt bevindt ‘waar verlangens, angsten en geheimen samenkomen’, zijn te sporadisch en vluchtig. Maar De Fombelle heeft geen hoogdravende pretenties.

Wanneer de ontknoping nadert introduceert hij Casimir Fermini, restauranthouder en romanschrijver, die het schrijverschap luchtigjes relativeert. Zo vindt het personeel het ongepast van hun schrijvende baas dat hij in een van de slothoofdstukken nog een nieuw personage opvoert. En over de brief waarin Vango’s levensgeschiedenis is opgetekend zegt Fermini dat hij zo’n onwaarschijnlijk verhaal niet in een boek zou hebben durven schrijven.

De Fombelle heeft het – gelukkig – wel aangedurfd. Dat heeft niet geleid tot een hoogstaande literaire historische roman, of psychologisch portret, maar tot ‘gewoon’ een klassiek, duizelingwekkend avonturenverhaal: niet ter lering, wel ter vermaak en onweerstaanbaar in zijn soort.