Checkperikelen

Sinds ik een ov-chipkaart heb, gaat het niet goed met mij als treinreiziger. Een vreemde onrust heeft bezit van me genomen. Soms schiet ik ’s nachts uit een bange droom wakker met de vraag: „Heb ik wel in- en uitgecheckt?”

Bezitters van de ov-chipkaart worden geacht hun kaart voor een zogeheten kaartlezer te houden bij aankomst en vertrek. Op het display verschijnt bij het inchecken een aanduiding van het tarief dat in rekening gebracht zal worden, bij het uitchecken volgen de precieze kosten. Ik leg dit even uit voor de gelukkige automobilisten.

De geniepigheid van het systeem zit voor mij vooral in het uitchecken. De moeilijkheden bij het inchecken heb ik na ernstige tegenslagen in het begin grotendeels overwonnen. Het overkwam mij toen enkele keren dat ik, zittend in de trein, besefte dat ik vergeten was in te checken. In Amsterdam betekent dit dat je van het perron terug moet hollen naar de hal waar de poortjes met de kaartlezers staan. Het is één langgerekte spurt met zo’n poortje als keerpunt, waarbij je als een pijl door een stroom van tegemoetkomende reizigers zoeft.

Het is goed voor je conditie en je leert ervan: dit nooit weer.

Maar het uitchecken heb ik nog steeds niet onder de knie. Ik heb de beste voornemens als de trein mijn bestemming bereikt. Mijn ov-chipkaart houd ik trots in de aanslag, straks even lekker uitchecken! Maar op het perron gebeuren altijd dingen die mij afleiden. Familieleden staan te wachten, kus-kus, je ziet er prima uit, goede reis gehad, gaan we eerst koffie drinken?

Of er staat niemand te wachten, maar je breekt je nek over de rolkoffer van een gehaaste zakenman. Kunt u niet uitkijken, meneer, het perron is toch niet alleen van ú?

Mijn ov-chipkaart is dan al naar een binnenzak verhuisd, waar hij voorlopig in alle stilte van zijn rust kan genieten. Ongebruikt zal hij de kaartlezer passeren, het duurt misschien wel tot de late uurtjes voor ik aan hem denk. Het kan bij het tandenpoetsen zijn, of net op het moment dat ik een verdiende slaap wil binnenglijden: verrek, heb ik vandaag uitgecheckt?

Die twijfel – dat is het ergste. Je slaat aan het reconstrueren: wat deed ik toen ik de uitgang naderde, heb ik mijn kaart gepakt of ging ik gewoon door met praten en heb ik nergens meer op gelet? Uit alle macht probeer je dat ene moment terug te halen, maar het is tevergeefs. Je vijand heet gedachteloosheid en is onverslaanbaar.

De Nederlandse Spoorwegen hoor je er niet over, maar ik vermoed dat ze daar slapend rijk worden van onze gedachteloosheid. Al die nooit gemaakte ritten waarvoor betaald wordt – ik zal toch niet de enige zijn?

Laatst overkwam me een eigenaardige variant. Ik maakte een ritje van Amsterdam naar Hilversum, ging er een boodschap doen en wist bij terugkomst op het station niet meer of ik uitgecheckt had. Ik checkte opnieuw, maar vergat op het display te kijken, zodat het nu volkomen onduidelijk was in welke verdomde checkfase ik verkeerde. Ik checkte nog een paar keer, nou ja, het werd een zooitje.

Woedend over mijn slomigheid besteeg ik de trein. In Amsterdam liet de kaartlezer me hatelijk weten: „U kunt niet uitchecken.” Ik wendde me tot een vrouwelijke spoorwegbeambte. Ze stopte mijn kaart in een apparaatje en zei: „U was niet ingecheckt.”

Ze was zo vriendelijk deze stakker niets in rekening te brengen. De NS had de afgelopen maanden al genoeg aan hem verdiend.