Blinde dissident is geopolitiek

In de twee grootste industriestaten ter wereld woedt een machtsstrijd die over een half jaar zijn climax bereikt. Begin november zijn er in de Verenigde Staten presidentsverkiezingen. Dezelfde maand komt in China het 18de congres van de Communistische Partij (CPC) bijeen om een nieuwe secretaris-generaal te kiezen, die daarna president wordt.

Terwijl in Amerika de verkiezingscampagne in de openbaarheid op gang komt, bevechten in China verschillende vleugels binnen de partij elkaar achter gesloten deuren. De blinde dissident Chen Guangcheng is erin geslaagd om beide politieke processen met elkaar te verbinden.

Het individuele lot van Chen en zijn familie heeft nu ook invloed op politieke posities in zowel het Witte Huis in Washington als de partijcentrale Zhongnanhai in Peking.

Of Chen daarop uit was, is onduidelijk. De blinde jurist, die wegens zijn verzet tegen onder meer het abortusbeleid van de communistische regering onder huisarrest in een provinciestad moest leven, lijkt met zijn vlucht naar de Amerikaanse ambassade in Peking een persoonlijk uitweg te hebben gezocht.

Chen is niet de eerste Chinees die veiligheid zoekt bij westerse diplomaten. De provinciale politiechef Wang Lijun deed dat dit jaar op het Amerikaanse consulaat in Chengdu. Zijn actie luidde de val in van de plaatselijke partijsecretaris Bo Xilai, die op het 18de congres met een orthodox populistische agenda een gooi naar de macht wilde doen.

Zoals Wang de intensiteit van de interne fractiestrijd in de CPC blootlegde, zo heeft Chen de betrekkingen tussen de VS en China onder het vergrootglas gelegd. Juist dezer dagen is minister Clinton van Buitenlandse Zaken in Peking voor het jaarlijkse bilaterale beraad. Het is haar politieke verantwoordelijkheid als Chen, ondanks toezeggingen van de Chinese regering, niet veilig blijkt. De kwestie zou zo een wapen in de presidentscampagne kunnen worden voor Obama’s uitdager Romney.

Omgekeerd heeft Chen ook aangetoond dat de autoriteiten in Peking behoedzamer opereren dan hun retoriek vaak suggereert. Onder druk van de openbaarheid hebben ze een tussenoplossing gezocht. Chen zou een studievisum voor Amerika kunnen krijgen.

Dit compromis kan zowel het gezicht van de VS als van China redden, al moet nog blijken hoe het in de praktijk uitpakt. Maar belangrijker dan prestige op korte termijn is de vraag hoe de zaak-Chen doorwerkt. Is het visum voor Chen de voorbode van een progressiever partijcongres of een gelegenheidsconcessie? Het woord is aan ‘zhongnanhai-ologen’.

Maar intussen staat één ding vast. China is niet ongevoelig voor druk van buiten. Peking weet dat autarkie niet meer bestaat. Het heeft dus zin de druk hoog te houden, niet alleen bij de afwikkeling van het lot van Chen maar ook als andere mensenrechten in het geding zijn.