Angst dicteerde Jood en niet-Jood

In oorlogsdagboeken zocht historicus Bart van der Boom antwoord op de vraag waarom de verontwaardiging over de Jodenvervolging niet vaker werd omgezet in daden.

Uit het depot van Kamp Westerbork Foto Sake Elzinga

Bart van der Boom: Wij weten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust. Boom, 540 blz. € 29,90.

In augustus 1942 schreef de Utrechtse gynaecologe Jeltje Stroink in haar dagboek over de arrestatie van de Joden in haar stad. ‘Dol op de Joden zijn we nu bepaald niet’, had ze eerder verklaard, maar ze verafschuwde het Duitse ‘sadisme’, hun ‘bestialiteit’. ‘We maken de drama’s nu van dichtbij mee. […] Toen maandagavond de eerste afdeeling langs de straten zich naar het Maliebaanstation begaf, heeft het volk opgespeeld. Ze hebben op de Duitschers gespuugd en ze uitgescholden. Maar de bajonetten en de mitrailleurs hebben weldra een einde gemaakt aan de demonstratie. Wat kunnen we doen?’

Het nu dominante antwoord op die vraag is: meer, veel meer dan destijds gedaan is. Er is een breed gedeelde overeenstemming dat de Nederlandse Joden uit onverschilligheid, opportunisme of regelrechte afkeer aan de Duitse vervolgers zijn overgeleverd. Het uitzonderlijk hoge percentage Joden dat in Nederland slachtoffer werd van de Duitse vervolging zou toe te schrijven zijn aan een even uitzonderlijke Nederlandse onwil zich over Joodse medeburgers te ontfermen.

In reactie op deze opvatting schreef de Leidse historicus Bart van der Boom de studie Wij weten niets van hun lot. Door een analyse van een deel van de 1500 oorlogsdagboeken verzameld door het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, zoekt hij naar een antwoord op de vraag hoeveel niet-Joden en Joden wisten van het lot dat de Joden zou treffen. Als men kon weten wat ze te wachten stond, dan waren zij wellicht moedwillig aan hun lot overgelaten. Als men dat niet wist, dan berustte het gebrek aan bereidheid de Joden koste wat kost te redden op een gruwelijk misverstand.

Scepsis

Uitgangspunt van zijn beschouwing is de vaststelling dat Joden en niet-Joden op de Jodenvervolging in de eerste plaats met verontwaardiging reageerden. Maar omdat die verontwaardiging vermengd was met andere overwegingen – hoop op een snelle bevrijding, angst voor Duitse terreur – leidde zij lang niet altijd tot daadwerkelijk verzet. De belangrijkste van die overwegingen betrof de inschatting van het gevaar waaraan Joden waren blootgesteld. Kern van Van der Booms betoog is dat men van alles vermoedde, maar slechts weinig zeker wist. Iedereen was er wel van overtuigd dat Hitler het slechtste voor had met de Joden. Maar men had veel minder zicht op de methode, prioriteit en termijn waarmee nazi-Duitsland de Jodenvervolging inzette.

Tot de tweede helft van 1941 kon men niet weten van de massale Jodenvernietiging, omdat daar toen geen besluit over was genomen. De anti-Joodse maatregelen pasten tot dat moment in een eeuwenlange traditie van antisemitische agressie, maar in de loop van 1941 radicaliseerde het anti-Joodse geweld heel snel en veranderde het in de systematische moord waarvoor geen historische precedenten waren.

De vraag wat men wist van de Holocaust is een internationaal vraagstuk, niet alleen omdat het sinds 1945 overal is besproken, maar ook omdat de berichtgeving daarover destijds zich op internationaal niveau afspeelde. Een belangrijke factor daarin is dat nazi’s aan de ene kant openlijk pleitten voor vernietiging van het Europese Jodendom. Maar zij werden veel minder mededeelzaam toen de overstap werd gemaakt van het al te zichtbare doodschieten van Joden achter het front door speciale Einsatzgruppen, naar de systematische moord in vernietigingskampen.

Toch verschenen in de tweede helft van 1942 steeds meer publicaties, die uiteindelijk de aanleiding vormden voor de verklaring van Roosevelt en Churchill van 17 december 1942, waarin zij de aanval op de Joden scherp veroordeelden. Toch verflauwde daarna de internationale belangstelling. Dat had volgens Van der Boom deels te maken met het feit dat men zich eenvoudigweg zo’n massale misdaad niet kon voorstellen, maar ook met het gebrek aan reëel handelingsperspectief: de beste remedie leek om de oorlog te winnen en daar zette men zich ten volle voor in.

Maar ook minder eerzame motieven speelden een rol. Het Verenigd Koninkrijk en de VS vreesden een volksverhuizing als zij zich het lot van de Joden teveel zouden aantrekken. Bovendien maakte antisemitisme, of althans afstand tot Joden, het weinig aantrekkelijk zich voor hun lot in te zetten. Daarnaast hadden de ervaringen met atrocity stories in de Eerste Wereldoorlog, die nadien onwaar bleken te zijn, de scepsis gevoed over nieuwe en nog veel gruwelijker verhalen van de Holocaust.

Net als elders bestond ook in Nederland grote onzekerheid over het definitieve lot van de Joden. De Nederlandse illegale pers, de regering in ballingschap en Radio Oranje reageerden op dezelfde wijze als de Amerikaanse en Britse regering en publieke opinie. Men vermoedde dat er niet veel goeds van de Duitsers viel te verwachten, maar had om allerlei redenen ook twijfels over de berichtgeving. Achteraf beschouwd gaven alle berichten op een rijtje gezet een redelijk accuraat beeld van de Holocaust, maar de meeste mensen hadden destijds niet dat overzicht.

Dat wil niet zeggen dat men voorbijging aan het lot van de Joden. Integendeel: er was breed gedeelde verontwaardiging over de anti-Joodse maatregelen die vanaf juni 1940 werden genomen. Maar daarmee is nog niet de vraag beantwoord waarom er niet meer is gedaan om Joden te behoeden voor het moorddadige lot dat hen zou treffen. Op dit punt maakt Van der Boom een onderscheid tussen stemming en kennis: de stemming werd getekend door een afkeer van het Duitse vervolgingsbeleid. Maar op basis van 29 nader geanalyseerde dagboeken van niet-Joden en Joden komt Van der Boom tot de conclusie dat niemand zeker wist wat er na de deportatie naar ‘het Oosten’ zou gebeuren. Die onzekerheid leidde tot een fundamentele verkeerde afweging van risico’s, bij omstanders maar ook bij Joden.

Beide groepen maakte een afweging van de risico’s van verzet en onderduik, die bij mislukking gegeven de berichten over Mauthausen tot een wisse dood leidde, tegenover de mogelijke overlevingskansen die men zou hebben in geval van deportatie. Die afweging verklaart waarom veel Joden zich hadden voorbereid op deportatie en thuis al maanden een rugzak hadden met de benodigdheden die ze volgens de Joodse Raad moesten meenemen.

Bereidheid

Diezelfde afweging verklaart waarom veel niet-Joden de angst voor represailles lieten prevaleren boven de morele plicht om te helpen, die ze wel degelijk voelden. Volgens Van der Boom wordt zelfs het gedrag van Nederlandse medeplichtigen aan de vervolging hierdoor verklaard. Hoewel zij zich door die medewerking vaak gecompromitteerd voelden, besloten ze tot medewerking, inderdaad ‘om erger te voorkomen’. Pas achteraf bleek dat ze daarmee het ergste hadden mogelijk gemaakt.

Van der Boom trekt zijn conclusies met gevoel voor psychologie en oog voor het menselijk tekort. Toch blijft er iets knagen. Zelfs als men niet zeker wist dat Joden direct vermoord werden, dan waren toch ook wettelijke discriminatie, maatschappelijke uitsluiting en fysieke deportaties voldoende om daartegen in verzet te komen. Iedereen in Nederland kon met eigen ogen aanschouwen welk onrecht de Joden werd aangedaan, maar de grote meerderheid – ook van de Joden zelf – beschouwde dat als een onheil dat ten dienste van een hoger of meer persoonlijk belang gedoogd moest worden. Als Van der Booms studie een pijnlijke waarheid openbaart, dan is het niet de verblinding voor het fatale noodlot, maar de bereidheid om in verhouding kleiner onrecht te aanvaarden als de bestrijding daarvan hoge kosten met zich mee dreigt te brengen. Daar is niet eens de dreiging van nazi-terreur voor nodig.

In een maand waarin weer een met uitzetting bedreigde asielzoeker zelfmoord pleegde en de Nederlandse staat zonder wettelijke basis mensen met een erkende asielstatus gevangen zet in het kader van een eufemistisch genaamde ‘gesloten opvangcentrum-procedure’, moet misschien erkend worden dat morele verontwaardiging het vaak aflegt tegen het ongemak van een slecht geweten.