Allergisch voor idealisme

Ewoud Kieft: Oorlogsmythen. Willem Frederik Hermans en de Tweede Wereldoorlog. De Bezige Bij. 286 blz. €18,90

Voor de campagne Nederland Leest koos de CPNB dit jaar De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans. Vele duizenden exemplaren van Hermans’ roman zullen gratis worden uitgedeeld aan de lezers. Welke boodschap wordt zo doorgegeven? Luister naar Ewoud Kieft, historicus en medewerker van deze krant, die in Oorlogsmythen. Willem Frederik Hermans en de Tweede Wereldoorlog schrijft dat deze roman in feite draait om de onkenbaarheid van de geschiedenis. De werkelijkheid van de oorlog ontglipt ons. Wat we ervan denken te weten heeft hooguit de status van een ‘mythe’.

Is dit een wenselijke boodschap? Kieft vindt uiteindelijk van niet. Tegelijkertijd beseft hij terdege hoezeer Hermans’ kijk op de oorlog heeft schoolgemaakt. Van meet af aan heeft Hermans zich ingespannen om alle oorlogsmythen (het Nederlandse volk dat zich als één man zou hebben verzet tegen de Duitse onderdrukker) door te prikken. En met succes: de grens tussen goed en fout is steeds diffuser geworden. Met als gevolg dat we nu bijna het omgekeerde zijn gaan geloven, getuige Chris van der Heijdens Grijs verleden of een film als Paul Verhoevens Zwartboek. Hermans’ paranoïde wereldbeeld van bedriegers en bedrogenen, waarbij het meer een zaak van toeval was dan van vrije keuze of iemand aan goede of de foute kant terecht kwam, lijkt tegenwoordig gemeengoed te zijn geworden.

Kieft verzet zich daartegen. Enerzijds door te wijzen op het niet minder mythische karakter van dit ‘grijze’ geschiedbeeld, anderzijds door zich in de wording van Hermans’ kijk op de oorlog te verdiepen. Zo ontstaat een subtiel vlechtwerk dat evenveel zegt over het naoorlogse Nederland (waar de oorlog steevast voor morele beroering weet te zorgen) als over Hermans. Juist deze brede inzet maakt dit levendig geschreven boek tot méér dan een verdienstelijke bijdrage aan de Hermanskunde.

Dubbele zelfmoord

Achter Hermans’ sombere filosofie van scepsis en relativisme ontwaart Kieft een hoogst persoonlijke inzet, die alles te maken heeft met Hermans’ oorlogservaringen. Het begint met de dubbele zelfmoord van zijn oudere zus Cornelia en een neef in de meidagen van 1940. Door deze neef, tegen wie de jonge Hermans geweldig had opgezien, voelde hij zich achteraf bedrogen. De wereldwijze neef bleek tot in de dood te zijn meegegaan met het ‘hoogdravende idealisme’ van Cornelia en haar idool Menno ter Braak. Het gevolg was een levenslange allergie voor een dergelijk idealisme, dat Hermans zowel in het verzet als in het nazisme meende te herkennen. Iedereen deed zich anders, beter voor dan hij of zij in werkelijkheid was: het ‘sadistische universum’ van bedriegers en bedrogenen was geboren.

Tijdens de bezetting hield Hermans zich afzijdig, achteraf betreurde hij het dat de oorlog aan hem voorbij was gegaan. Kieft verklaart deze passiviteit ondermeer uit Hermans’ naar eigen zeggen ‘bijna sadistisch te noemen medelijden’ met zijn ouders. Een andere verklaring was Hermans’ keuze voor literatuur. De literatuur, die zijn alternatief werd voor de kennelijk onuitroeibare behoefte van de mens aan zin en betekenis verschaffende mythen. Een romanschrijver schiep tenminste zijn ‘persoonlijke mythe’, en hij had het in de gaten.

Voor Hermans was het schrijven alles, en dat moet het weinige dat hij tijdens de bezetting wél deed begrijpelijk maken: zijn aanmelding voor de Kultuurkamer, zijn nog net op het nippertje voorkomen aanmelding voor de Arbeitseinsatz en zijn tekening van een verklaring als student-assistent, te vergelijken met de loyaliteitsverklaring die hij niet ondertekende. Kieft beziet deze daden in het licht van Hermans’ wens om neutraal te blijven: ze kwamen voort uit pragmatisme om zo zijn prille schrijverschap veilig te stellen. Maar gaat dat ook op voor de aanmelding voor de Arbeitseinsatz? En wat te denken van dit weinig heroïsch gedrag en de latere bespotting van het verzet in een roman als De tranen der acacia’s?

Naar aanleiding van Hermans’ gewoonte om ieder links idealisme gelijk te schakelen met nazisme suggereert Kieft dat we in die spot misschien een soort ‘verweer’ mogen zien vanwege zijn verzwegen ‘jeugdzonde’. Het blijft een raadsel,en ik ben benieuwd wat biograaf Willem Otterspeer er straks over te zeggen heeft. Duidelijk is in elk geval dat Kieft er niet op uit is om Hermans postuum in de morele beklaagdenbank te plaatsen. Daarvoor is zijn bewondering voor de schrijver te groot. En bovendien: wat zou het voor zin hebben?

Wel vindt Kieft een ‘tegenwicht’ op zijn plaats, want het is beslist niet zo dat hij klakkeloos in alles met Hermans meegaat. Zo’n tegenwicht zit bijvoorbeeld in het dagboek van de Amsterdamse verzetsman Henk Jonkman (hij was het die Hermans afhield van diens aanmelding voor de Arbeitseinsatz): er komt een heel ander beeld van het verzet uit naar voren. Daarnaast heeft Kieft een scherp oog voor de onbedoelde dialectiek van Hermans’ extreme standpunten.

‘Ideologie van desillusie’

Neem zijn anti-idealisme, dat in de praktijk zelf óók een soort idealisme wordt. Of zijn verzet tegen alle ideologie, dat zich ontpopt als een ‘ideologie van desillusie’. Of denk aan de verbeten strijd tegen Weinreb en diens linkse aanhang, die Hermans (zoals Kieft schrijft) maakte tot ‘de verzetsstrijder die hij tijdens de Tweede Wereldoorlog nooit was geweest’: toen hij na jaren gelijk kreeg, was van historische scepsis opeens niets meer te merken. Achter alle scepsis en relativisme werd juist een ‘fanatieke waarheidsliefde’ zichtbaar. Maar die waarheid bestond toch niet of was in elk geval onkenbaar?

Het gelijk in de zaak Weinreb had bovendien niets te maken met het ‘messcherp historisch inzicht in de Tweede Wereldoorlog’ dat sommigen Hermans toedichtten, waarschuwt Kieft. Elke scepticus krijgt wel eens gelijk; historici maken nu eenmaal fouten. Maar echte historici schrikken daar niet van, ze geven die fouten ruiterlijk toe en corrigeren hun beeld van het verleden. Zo’n kritische geschiedschrijving is veel meer dan een mythologiserende bezigheid, aldus Kieft, die nota bene Loe de Jong, de favoriete kop van jut van de ‘grijze’ revisionisten, als voorbeeld aanprijst.

Een ander ‘tegenwicht’ vindt Kieft in de verdediging van het verzet. Niet Loe de Jong, maar zijn eigen grootvader (gestorven in een Duits concentratiekamp) en vader treden hierbij op als exemplarische secondanten. Hermans krijgt gelijk als Kieft de geschiedenis van opa probeert te reconstrueren: hij komt terecht in een ondoorgrondelijk labyrint van verraad, lust en schemer. Maar is dat ook een reden om het christelijke idealisme van deze verzetsmensen belachelijk te maken? Hoe vreemd het de kleinzoon ook mag zijn geworden (Kieft voelt zich soms ‘oncomfortabel’ bij het gebrek aan relativisme in zijn grootvaders brieven), hij realiseert dat het geen zelfverheerlijking of mythe-vorming achteraf was, maar een reële drijfveer.

Ook de rol van het toeval bij de keuze voor het verzet wordt door Kieft gerelativeerd. In Hermans’ wereldbeeld is voor zoiets als vrije keuze geen plaats. Maar dat weigert Kieft te geloven, uit loyaliteit jegens zijn calvinistische opa en vader, wier ervaringen óók meetellen. De wereld blijkt, kortom, toch complexer dan Hermans het in zijn nihilistische zwartgalligheid placht voor te stellen. Er zitten tenslotte ook goede kanten aan het idealisme, vindt Kieft, en de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, inclusief de Holocaust, is nog altijd een onmisbaar, zij het wankel moreel fundament onder de westerse democratie.

Heel democratisch concludeert Kieft dat hij liefst allebei zou hebben: zowel de idealistische ‘dromer’ als de kritische ‘scepticus’. Maar hun volle waarde krijgen beiden pas als ze 100% zichzelf zijn, dus zonder gerieflijke compromissen. Pas achteraf kan dan blijken dat ze ongemerkt ook het nodige van hun tegenpolen hebben. Bijvoorbeeld wanneer een kritische en tegelijk empathische historicus als Kieft zich buigt over hun leven en werk.