Afscheid van de schaamte om de oorlog

Veel Joodse oorlogsoverlevenden hebben zich lange tijd geschaamd: dat zij ontmenselijkt waren geweest, zichzelf niet hadden verdedigd of niet solidair genoeg waren geweest. Dit verandert, stelt Herman Vuijsje.

De foto van Joodse jongemannen die op 22 februari 1941 op het Jonas Daniël Meijerplein in Amsterdam werden bijeengedreven, is een van de aangrijpendste beelden van de Jodenvervolging in Nederland. Evenals andere ‘iconische’ afbeeldingen uit die tijd, zoals het jongetje met zijn armen omhoog in het getto van Warschau en het zigeunermeisje in de trein die vertrekt uit Westerbork, lijkt het een tafereel uit een andere wereld.

Voor latere generaties is het onvoorstelbaar dat dit werkelijk is gebeurd – vanwege de ongekende wreedheid, maar ook om een andere reden: we weten niet wie er op deze foto staan. Bij alles wat over de Jodenvervolging is geschreven, bleef het rond dit soort beelden, waarop mensen te zien zijn op het moment van hun diepste vernedering, stil.

Vorig jaar veranderde dit. Een dochter van een van de mannen op de foto maakte zich bekend. Toen het Joods Historisch Museum hieraan een kleine tentoonstelling wijdde, dachten nog twee families in dezelfde man hún oom en grootvader te herkennen. De tijd is klaarblijkelijk rijp om onder ogen te zien dat het hier gaat om een zaterdagmiddag die echt heeft bestaan, niet zo lang geleden, in het hart van Amsterdam.

Onlangs hebben ook andere overlevenden en nabestaanden van de massamoord hun zwijgen doorbroken. Sonja Barend, Maurice de Hond en Bram Moszkovicz – om de bekendsten te noemen – vertelden voor het eerst over de verwoesting die de oorlog heeft aangericht in hun familie. Dat zij daar zo lang mee wachtten, hangt waarschijnlijk samen met een gevoel dat bij veel slachtoffers en overlevenden bestond: schaamte.

Deze schaamte, bij degenen die hier op het eerste gezicht juist geen reden toe hadden, is inmiddels vrij uitgebreid gedocumenteerd. „Het besef te behoren tot een groep die straffeloos kon worden vernederd en mishandeld, was schaamteverwekkend”, constateerde psychiater Louis Tas al lang geleden. „Schaamte is het gevoel dat je in de ogen van anderen compleet waardeloos bent en dat ze daarin nog gelijk hebben ook.”

Deze laatste toevoeging is minder vreemd dan ze klinkt. Hoe viel het anders te verklaren dat zo weinigen de vervolgden te hulp kwamen? Misschien waren ze dat niet waard... Ook waar wel hulp werd geboden, lag schaamte op de loer. Abram de Swaan wees hierop in zijn rede bij het vijftigjarig bestaan van het Anne Frank Huis in 2010: „Anne voelde zich bezwaard dat anderen zich zoveel inspanning getroostten en zo groot risico namen voor haar en haar huisgenoten. [...] Ik denk dat ze zich doodschaamde om haar hulpeloosheid.”

In zijn boeken Het respijt en De verdronkenen en de geredden onderscheidde Primo Levi een reeks oorzaken van schaamte bij kampslachtoffers: dat zij totaal ontmenselijkt waren geweest, dat ze niet genoeg hadden gedaan om zich teweer te stellen of dat ze niet solidair genoeg waren geweest met anderen die het niet hadden overleefd. Ook noemde hij nog een diepere gewaarwording van schaamte, minder als slachtoffer dan als getuige: aanwezig te zijn geweest bij het ultieme kwaad – te hebben gezien dat dit kwaad bestaat, „onherroepelijk deel uitmaakt van de wereld van de bestaande dingen”.

Niet alleen de schaamtegevoelens zelf vertoonden een grote variatie, maar ook de relaties die erdoor werden gekleurd. Schaamte en zwijgzaamheid konden de kop opsteken in welhaast alle sociale betrekkingen die slachtoffers en overlevenden onderhielden – met de buitenwereld, maar ook met elkaar. Wie had kunnen onderduiken, geneerde zich tegenover kampoverlevenden. Kampoverlevenden voelden zich beschaamd tegenover lotgenoten die omkwamen of die het in het kamp ‘moeilijker hadden gehad’.

Zelfs het pure delen van de herinnering was met schaamte omkleed. Zo vertelt Berthe Meijer in haar boek Leven na Anne Frank (2010) dat ze met haar beste vriendinnetje, dat evenals zij het kamp had overleefd, nooit sprak over die ervaringen.

Ook bij de naoorlogse generatie zette deze zwijgzaamheid zich voort. Zelf zat ik begin jaren zestig in een middelbare schoolklas met zes Joodse en half-Joodse leerlingen. We wisten op een geheimzinnige manier van elkaar dat we Joods waren. Er werd nooit over gepraat, ook niet onderling. We wisten er simpelweg ook te weinig van, doordat er ook thuis over werd gezwegen. Pas nu, op reünies, blijkt hoe sterk de oorlogsherinnering doorwerkt in de levens van sommigen.

Natuurlijk hing deze geprolongeerde zwijgzaamheid samen met de manier waarop onze ouders omgingen met hun gevoelens. Door te zwijgen, probeerden overlevenden hun slachtofferrol te relativeren en hun kinderen te sparen. Zwijgen verdreef de schaamte niet, maar onttrok haar wel aan het gezicht.

Uiteindelijk lijkt het verloop van de tijd verlichting te brengen. Overlevenden en nabestaanden durven zich meer te uiten. Dit komt niet doordat de oorlogsherinnering verjaart of in vergetelheid zou raken. De herinnering aan de nazimisdaden lijkt met de jaren alleen maar meer onontkoombaar en verbijsterend te worden, ook in de ogen van jongeren.

Wat voorbijgaat, is niet de intensiteit van de herinnering, maar het gevoel van (plaatsvervangende) schaamte dat eraan kleefde. Niet alleen de toenemende tijdsafstand tot de oorlog schept hiervoor ruimte, maar ook de gevorderde leeftijd van de betrokkenen, het aantreden van nieuwe generaties en veranderingen in het sociaal-culturele klimaat.

Van belang is hierbij dat het om schaamte gaat – niet om schuld. Schuld is een besef van persoonlijk, moreel tekortschieten. Bij schaamte gaat het om een publieke aantasting van je zelfrespect, een gevoel van gezichtsverlies in de ogen van anderen. Schaamte is veel meer dan schuld een ‘sociale’ emotie en is hierdoor ook ontvankelijker voor veranderingen in de sociale omgeving.

Voor niet-Joodse Nederlanders, de bystanders van destijds, kan hetzelfde onderscheid worden gemaakt. De meesten zullen zich niet persoonlijk schuldig hebben gevoeld over het feit dat ze allereerst dachten aan zichzelf en hun familie. Wel kunnen zij gevoelens van gêne hebben ervaren voor het oog van de buitenwereld – de Joden, maar ook hun eigen geloofs- of overtuigingsgenoten en de hele Nederlandse verzuilingscultuur met haar christelijke en humanistische inslag.

Degenen die nog in leven zijn, waren toen kinderen. Zij hebben herinneringen aan het wegvoeren van buren en schoolvriendjes waartegen zij niets konden doen – herinneringen die later nog pijnlijker werden door de wetenschap dat in ons land een uitzonderlijk hoog percentage Joden is weggevoerd en vermoord. Ook bij hen leeft geen schuldgevoel, maar (plaatsvervangende) schaamte. Deze lijkt weg te ebben. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de reacties die het project van Guus Luijters en Aline Pennewaard om de weggevoerde kinderen hun naam en gezicht terug te geven, ook losmaakt in niet-Joodse kring.

Het wegebben van deze schaamtegevoelens kan worden verwelkomd, omdat het bijdraagt aan openhartigheid. Door het ‘inkleuren’ van die zwart-witfoto’s brengen we hen dichter bij onze werkelijkheid en bij de vragen die blijven verbonden met de massamoord op de Joden.

Herman Vuijsje is socioloog en journalist.