Zonder daders raakt ons moreel kompas van slag

Als iedereen ‘een beetje slachtoffer’ van de oorlog wordt, kunnen we de herinnering niet meer als waarschuwing gebruiken.

Het gedicht Foute keuze van Auke Siebe Dirk de Leeuw zal morgen niet op de Dam worden voorgelezen. Het is ten onder gegaan in een strijd tussen verschillende organisaties die een claim leggen op de herinnering aan de oorlog. De uitkomst van deze strijd over het gedicht van een vijftienjarige kan voor niemand bevredigend zijn. In de verhitte discussie die hieraan voorafging voerden emoties veelal de boventoon. Hierdoor wordt vergeten dat de maatschappelijke functie van de herdenking op 4 mei ligt in het herbevestigen van de categorieën van ‘slachtoffers’ en ‘daders’. Vanwege het belang van deze functie hoort het gedicht Foute keuze inderdaad niet op de Dam thuis.

Een oorlog oefent een ingrijpende invloed uit op het leven van alle individuen die – vaak tegen hun wil in – bij deze oorlog betrokken worden. De menselijke handelingsvrijheid, of de mogelijkheid tot het maken van keuzes, wordt – veel meer dan in vredestijd – bepaald door structuren waarover het individu geen invloed heeft. Daardoor zou betoogd kunnen worden dat in principe iedereen op wiens leven die oorlog een negatief effect heeft ‘slachtoffer’ van de oorlog is, dus ook de oudoom, de oma en helaas uiteindelijk zelfs Auke Siebe Dirk de Leeuw zelf.

Slachtofferschap is echter geen historisch feit, maar een sociaal construct. Wij bepalen gezamenlijk wie zich ‘slachtoffer’ van de oorlog mag noemen. Dit doen we voor een belangrijk deel niet om het leed te verzachten van de groep mensen die we als ‘slachtoffers’ bestempelen, maar vooral om een andere groep mensen als schuldig aan dit leed, of ‘daders’, aan te wijzen. Slachtoffer- en daderschap worden hierdoor tot de Noord- en Zuidpool van een moreel kompas. Met dit kompas in de hand proberen we in de toekomst de ‘goede’ keuze te maken.

Het gedicht van Auke is complex door het morele spanningsveld dat erin tot uitdrukking komt. Aan de ene kant wil de scholier waarschuwen voor de foute keuze van zijn oudoom. Aan de andere kant probeert hij – in een zekere zin – ook begrip voor deze keuze op te wekken: het grootste slachtoffer van de ‘foute keuze’ is de oudoom zelf en daarom mag ook hij ‘niet vergeten worden’.

Die constatering is een uiterst menselijke positie en lokt bovendien een discussie uit die zonder twijfel gevoerd moet worden. Op de Dam hoort het gedicht echter niet thuis. De Nationale Herdenking is bij uitstek de gelegenheid waar de grenzen van slachtoffer- en daderschap opnieuw bevestigd worden. De vervaging van deze grenzen is onwenselijk omdat, als iedereen ‘een beetje slachtoffer’ van de oorlog wordt, we de herinnering niet meer als waarschuwing kunnen gebruiken. Slachtoffer- en daderschap moeten de duidelijke Noord- en Zuidpool van ons morele kompas blijven. Als we deze categorieën zo construeren dat zelfs een Nederlandse SS’er slachtoffer van de oorlog wordt, houden we een kompas over dat slechts ‘ongeveer’ het Noorden aanwijst. Zo’n kompas is niet alleen nutteloos, maar kan ons ook zomaar de verkeerde richting op sturen.