Vele weken werk om twee minuten samen stil te zijn

Precies om acht uur twee minuten stil zijn is niet zo simpel. Komt er een gedicht? Een stille tocht? Een toespraak? En mag The Last Post wel klinken? Of moet het het Taptoe-signaal zijn? Het Nationaal Comité 4 en 5 mei ondersteunt tal van lokale organisatoren bij het voorbereiden van de herdenking. In het comité op Texel is beroering ontstaan omdat de zoon van de NSB-burgemeester komt spreken.

Elke 4 mei, enkele uren voor het begin van de Nationale Herdenking, oefent mevrouw Leemhuis-Stout, voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei, het loopje van het Paleis op de Dam naar het Nationaal Monument. Ze loopt wel vier keer diezelfde plechtige meters. En tijdens die oefenloopjes wandelt iemand met een stopwatch naast haar. Ook morgen. Want Leemhuis-Stout bepaalt, vlak voor achten, het tempo van de tred, met rechts naast haar de koningin, en achter haar kroonprins Willem-Alexander en Máxima. „Vorig jaar deed ik er 1 minuut 55 over. Het luistert nauw.”

Het lijkt simpel, twee minuten stil zijn, maar er gaat jaarlijks veel drukte aan vooraf. En niet alleen op de Dam. Ga maar na: morgen vinden er in Nederland honderden, zo niet duizenden, dodenherdenkingen plaats. Lokale herdenkingen, bij de gedenkplaten in het Zeeuwse Hulst, op de markt van Hattem, de Joodse begraafplaats in Zupthen, het monument op de Vrijheidsdreef in Heemstede. Hoeveel herdenkingen er precies zijn, is onbekend. Dat wordt niet bijgehouden. Het Nationaal Comité schrijft op zijn website dat in „bijna alle gemeenten” een herdenking plaatsvindt. Nederland telt 415 gemeenten, en een veelvoud aan dorpskernen.

Al die herdenkingen moeten georganiseerd worden, door gemeenten zelf, of Oranjeverenigingen, lokale 4-en-5-mei-comités of speciaal opgerichte stichtingen. En overal is er storm voor de stilte. Moet er een gedicht komen? Wie houdt dit jaar een toespraak? Doen we een stille tocht? En lukt dat allemaal voor stipt acht uur?

Léon Evers (64), secretaris van de stichting Jaarlijkse Herdenking Gevallenen 1940/1945 Roermond, volgt elk jaar hetzelfde protocol. Herdenkingsconcert in de kerk om half zeven, lopen naar het oorlogsmonument, muziek van het plaatselijke harmonieorkest, gedicht van de stadsdichter, toespraak van een gastspreker, het oplezen van de namen van gevallenen, het trompetsignaal The Last Post, en dan de stilte. Maar het gaat niet altijd zoals Evers wil. Soms is er tijdgebrek. „Dan is het na de toespraak al bijna acht uur. Soms spelen we The Last Post dan ná de twee minuten stilte.”

In Roermond lezen ze ook niet meer alle namen voor van de oorlogsslachtoffers uit de gemeente, zegt Evers. „Dat deden we altijd wel, maar gemeente Roermond werd na fusies met omliggende dorpen steeds groter. Er zijn nogal wat oorlogsslachtoffers bijgekomen.” Het oplezen van alle namen zou dus te veel tijd kosten. „Nu beperken we ons tot het benoemen van lokale groepen. Zoveel militairen omgekomen, verzetsmensen, burgerslachtoffers, en 84 joodse medeburgers.”

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei ondersteunt lokale organisatoren bij het voorbereiden van de herdenking. Vier bijeenkomsten waren er afgelopen jaar in Nederland – noord, oost, zuid, west – waar het comité tips gaf aan gemeenten en Oranjeverenigingen over de dodenherdenking – en over Bevrijdingsdag. „Hoe organiseer je een dichtwedstrijd, hoe bereid je een stille tocht voor? Dat soort vragen beantwoorden we”, zegt Leemhuis-Stout. Een vraag die op die regionale bijeenkomsten veel gesteld wordt is: hoe bereik je jongeren? „Dat houdt de lokale organisatoren flink bezig. De gemiddelde leeftijd van Oranjeverenigingen ligt nu eenmaal vrij hoog.” Een tip van het comité: richt, net als het Rotterdamse 4-en-5-mei-comité, een jongerenafdeling op. „Dan leer je hoe jongeren denken. Over de oorlog, maar ook over het gebruik van bijvoorbeeld sociale media voorafgaand aan een herdenking”, zegt Leemhuis-Stout.

Ook op de site van het Nationaal Comité staan tips voor het organiseren van een herdenking. Zo adviseert het comité om níet The Last Post te trompetteren, maar het Taptoe-signaal. De signalen lijken op elkaar, zijn beide een eresaluut aan de doden, maar The Last Post is Engels, en het Taptoe-signaal Nederlands. Er is ook een „krans- en lintprotocol” op de site van het comité, dat onder meer voorschrijft: „Voor alle linten geldt dat ze 15 centimeter over de onderkant vallen. De gedrukte tekst moet van onder naar boven gelezen worden wanneer het hoofd op de linkerschouder ligt.”

Zijn er lokale organisatoren die zich aan zo’n protocol willen houden? Leemhuis-Stout: „Het is niet verplicht. Maar vele verenigingen en gemeenten zijn blij dat die tips beschikbaar zijn.” Het leggen van een krans is ook niet zo simpel, zegt ze. Want hoe doe je dat sierlijk, als je straks wordt omringd door stilte? „Er zijn nogal wat organisatoren die oefenen”, zegt Leemhuis-Stout. „Iedereen wil het zo goed mogelijk doen.” Waar men dan precies op oefent? Leemhuis-Stout glimlacht door de telefoon: „Even ’s middags in de huiskamer door de knieën zakken. Soms met een namaakkrans, ja.”

Pauline van Zweden, bestuurslid van Oranjevereniging Elburg – leeftijd: „in de vijftig” – is onbekend met het kransprotocol. „Wij doen het op onze eigen manier.” Zo zingt er in Elburg een decenniaoud mannenkoor, zowel voor als na de twee minuten stilte. En vlak voor acht uur blaast de trompettist in Elburg morgen gewoon The Last Post. „Taptoe-signaal, zegt u? Waarom eigenlijk?” Van Zweden denkt dat het goed is dat er dit soort nationale richtlijnen bestaan, maar vindt: „Een lokale herdenking moet ook spontaan blijven.”