Strijd tegen cultureel sarkozysme

‘Ik hou niet van het cultureel sarkozysme’, stelt cultureel socioloog Frédéric Martel. Hij legt aan de vooravond van de verkiezing van de Franse president uit waarom.

Nicolas Sarkozy tijdens een optreden in de tv-show ‘Le grand journal’ op 16 maart 2012. Foto AFP

Het is zondag precies vijf jaar geleden: op de avond van de zesde mei 2007 vierde Nicolas Sarkozy zijn overwinning van de Franse presidentsverkiezing, in restaurant Le Fouquet’s op de Champs-Elysées in Parijs met 55 mensen, een mix van schatrijke zakenlieden en populaire artiesten als acteur Christian Clavier (vertolker van Astérix) en zanger Johnny Halliday. Dit diner was volgens de Franse socioloog Frédéric Martel het startschot van de Sarkozy-cultuur: een cultuur van jachten, dure horloges en grof taalgebruik. Maar het gaat verder: in zijn recente boek J’aime pas le sarkozysme culturel fileert Martel alle culturele aspecten van het rechtse Sarkozy-regime, van Sarkozy’s culturele smaak tot zijn culturele oorlog tegen de islam, via zijn communicatiestrategie en de invloed van het koppel Sarkozy-Bruni in de Franse culturele wereld.

Martel, die geldt als een van de grote specialisten op het gebied van cultuurbeleid en cultuureconomie, is vooral bekend van twee boeken: Mainstream, een onderzoek naar mainstream-cultuur in dertig landen, en De la culture en Amérique, over het culturele leven in de VS waar hij jaren werkte als cultureel attaché.

Beide boeken waren zuiver beschrijvend, niet polemiserend. Nu, voor de verandering, neemt hij wel stelling. Op de cover prijkt het Facebook-handje met de duim naar beneden: ‘J’aime pas’, bij ons bekend als ‘Vind ik niet meer leuk’. En het bleef niet onopgemerkt, vertelt Martel, terwijl hij koffie zet in zijn appartement in de Parijse wijk de Marais. Al zes keer heeft Carla Bruni hem in een interview genoemd als die nare man die een boek heeft geschreven ‘tegen haar echtgenoot’ (‘contre mon mari’).

Waarom legt u in uw nieuwste boek J’aime pas le sarkozysme culturel zo de nadruk op het culturele aspect van Sarkozy; waarom niet een boek over hem als president in het algemeen?

„Mijn radioprogramma op France Culture heeft een Engelse titel: Soft Power. Dat concept van de Amerikaanse politicoloog Joseph Nye loopt als een rode draad door alles wat ik doe. Niet de hard power van politiek, economie of defensie. Wel de zachte kracht van, onder andere, cultuur en media. Met die invalshoek analyseer ik hoe de Franse president cultuur ‘instrumentaliseert’ als onderdeel van zijn machtspolitiek.”

Hoe doe je dat, cultuur instrumentaliseren?

„Het begint bij zijn eigen smaak. Sarkozy presenteerde zich tot aan zijn aantreden in 2007 graag als een cultuurbarbaar. Zei dat hij alleen naar actiefilms met Stallone keek. Dat paste bij het imago van een nieuw soort politicus en zo won hij de verkiezingen. Het veranderde toen hij eenmaal president was. Sarkozy wilde zijn imago corrigeren. Mede onder invloed van [zijn derde vrouw, model en zangeres] Carla Bruni ging hij proberen in de smaak te vallen bij de culturele elite. Op een gegeven moment stuurde het Elysée journalisten een lijst van boeken die de president recentelijk gelezen had. Ondertussen ontving hij schrijvers en kunstenaars op het Elysée. Dat klinkt mooi, maar uiteindelijk interesseert cultuur hem alleen voor zover hij er politieke munt uit kan slaan.”

Wat verstaat u onder ‘sarkozysme culturel’?

„In mijn boek bespreek ik het Sarkozy-regime in culturele zin. Daarmee bedoel ik niet alleen zijn eigen voorkeur voor een middle-brow-cultuur en zijn officiële cultuurbeleid – een wassen neus – maar vooral wat er achter de schermen gebeurt: een systeem van machtsuitoefening via soft power, waarmee hij de wereld van media en cultuur naar zijn hand tracht te zetten. Ik zou hem nog net niet met Berlusconi willen vergelijken, maar hij bestiert het culturele leven in Frankrijk op een despotische manier. Vervangt directeuren bij de televisie die hij te links vindt. Die nieuwe directeuren ontslaan presentatoren die kritiek op Sarkozy durven te uiten. Zo werd vorig jaar de cabaretier Stéphane Guillon ontslagen bij de Franse radio, die de nieuwe plaat van Bruni had afgekraakt en die regelmatig Sarkozy en zijn ministers op de hak nam.”

Welke rol is er voor Bruni weggelegd?

„Zij heeft veel vrienden en vijanden in de culturele wereld. En ze aarzelt niet om achter de schermen met één telefoontje naar de minister van Cultuur een concert te laten verbieden, alleen omdat het concurrentie zou vormen voor een popfestival dat door een van haar vrienden georganiseerd wordt. Zo functioneert de tandem Bruni-Sarkozy in het Franse culturele leven.”

Een roddeljournalist bent u niet. U schreef gezaghebbende boeken en reist de wereld af voor lezingen over cultuurpolitiek. Tegelijk bent u heel duidelijk over uw linkse engagement. Hoe objectief is uw boek, gezien uw linkse engagement?

„Ik noem mijn bronnen en ik houd me bij de feiten. Niemand heeft de informatie uit mijn boek weersproken. Maar ik heb tot 6 mei maar één prioriteit, dat ontken ik niet, en dat is het mijne doen om te voorkomen dat Sarkozy herkozen wordt.”

U onderscheidt drie Sarkozy’s: de eerste, de cultuurbarbaar van 2007. De tweede, die zich bepaalde culturele referenties eigen maakt. De derde Sarkozy die u beschrijft is een president die een culturele oorlog voert. Wat bedoelt u daarmee?

„In 2011 merkt Sarkozy dat zijn culturele machiavellisme zoals ik dat net beschreef niet gewerkt heeft, niet genoeg althans om herkozen te worden. Hij verlaat die strategie voor een andere, die van de guerre culturelle, de culturele oorlog. Het boerkaverbod, het halalvlees: Sarkozy plaatst de westerse cultuur tegenover die van de moslims, omdat hij hoopt een deel van het rechtse, Frans-nationalistische Front National-electoraat te bereiken. Het is net als Bush in 2004: inspelen op de angst voor de islam, voor het terrorisme, inhakken op het homohuwelijk: een culturele oorlog, wij tegen zij, dat is Sarkozy 2012. Maar mijn hypothese was en is: als je hem cultureel verslaat, versla je hem ook politiek.”

Dit nieuwste boek is uw meest polemiserende tot nu toe. U bent vooral bekend van twee boeken die juist geen stelling nemen, maar alleen beschrijven: Mainstream en De la culture en Amérique. In dat laatste boek beschreef u hoe rijk en divers het culturele leven in de Verenigde Staten is, zonder dat de overheid zich er al te veel mee bemoeit.

„Ja, dat boek was louter descriptief, maar het deed evengoed veel stof opwaaien, want daarmee doorbrak ik het Franse dogma dat cultuur door de overheid beschermd moet worden. Ik liet zien dat het ook anders kan. Dat in de Verenigde Staten net zo veel geld aan cultuur wordt uitgegeven als in Frankrijk, zonder dat de overheid zich al te veel bemoeit met de verdeling van dat geld.”

Vindt u nu dat we in Europa niet zo langzaamaan de subsidies moeten opheffen om toe te werken naar een Amerikaans model?

„Absoluut niet. Toen mijn boek De la culture en Amérique verscheen, werd ik meteen geclaimd door Sarkozy die zei: ‘Oh, dan kunnen we het ministerie van Cultuur wel opheffen!’ Nee, niet dus. In de VS geeft de overheid evenveel geld aan kunst en cultuur, maar op een andere manier: via belastingvrijstellingen wordt enorm veel meebetaald door de overheid aan kunst en cultuur, zonder dat de overheid bepaalt waar het geld heen gaat. Ik zeg niet dat het systeem in Frankrijk perfect is – het is goed dat er een debat is en je kunt altijd elementen van een cultuurbeleid ter discussie stellen. Maar je kunt het Amerikaanse model niet importeren. Het grote deel in de VS komt van individuen, van Rockefellers. En die hebben we hier veel minder.”

In Nederland is hier ook discussie over…

„Ik weet zeker dat diegenen die het Amerikaanse systeem willen copy-pasten naar Nederland, dat systeem niet kennen. Ze denken dat de staat niks doet, dat de markt alles doet. Maar ze zien niet de rol van de stichtingen, de schatrijke universiteiten, de etnische gemeenschappen, de belastingvrijstellingen die evenveel geld opleveren voor de culturele sector als een Europees subsidiestelsel. Er is een enorme non-profitsector in de VS: dat is noch de staat, noch de vrije markt. En dat is belangrijk, want dat bewijst dat ook in Amerika de avant-gardistische, vernieuwende kunst- en cultuuruitingen niet kunnen bestaan in een vrije-marktsysteem.”

Wat is het grote voordeel van het Amerikaanse systeem?

„In Amerika kan een regimewisseling de culturele wereld niet zo beïnvloeden. In Frankrijk gebeurt dat in sterke mate, zoals we met Bruni-Sarkozy hebben gezien. Carla Bruni wordt de laatste tijd wel vergeleken met Marie Antoinette, ook door de film over Marie Antoinette Les adieux à la Reine die net uit is. Haar frivoliteit en ijdelheid, haar liefde voor Versailles. Minder charmant wordt de vergelijking als je kijkt naar haar machtsmisbruik: een concert laten annuleren, alsof we in een absolute monarchie zijn beland. Daarvan zullen we hopelijk vanaf 6 mei verlost zijn. En ja, wat er dan voor in de plaats komt? Ik hoop en verwacht iets beters. Maar misschien schrijf ik over een paar jaar wel een boek met de titel J’aime pas le socialisme culturel. Wie weet. Dat sluit ik niet uit.”