Servië stemt zonder veel verwachtingen

Kosovo speelt nauwelijks een rol in de verkiezingen zondag in Servië. Alle grote partijen varen een pro-EU koers. Maar het cynisme onder de kiezers is groot.

belgrado. - Ooit was Milan Kamponeski een vrolijke en fanatieke demonstrant tegen Slobodan Milosevic. Daarna werd hij actief binnen pro-westerse liberale politieke partijen in Servië. Nu is hij 37, gedesillusioneerd, te dik en werkloos. De politiek heeft hij afgezworen.

Eigenwaarde ontleent hij nu vooral aan zijn goed gelezen weblog. Daarin riep hij laatst op tot een wedstrijd ‘wie de mooiste tekening kan maken op zijn stembiljet’. Het regende voorstellen, van bloemetjes tot geslachtsdelen. Op 6 mei houdt Servië tegelijk lokale, parlementaire en presidentiële verkiezingen.

Kamponeski staat symbool voor de generatie Serviërs die na het vertrek van Milosevic in oktober 2000 hoopte dat er een nieuwe tijd aanbrak waarin zij voor snelle verandering zouden zorgen. Maar deze generatie staat nu aan de kant. De demonstranten van de jaren negentig, toen kritische studenten met geloof in eigen kracht, zijn nu veelal depressieve dertigers.

Teleurgesteld constateren ze dat de beste banen binnen de overheid gaan naar mensen die niet veel vragen stellen. Daarin zijn de pro-westerse partijen niet veel anders dan de nationalisten en oud-communisten.

Na het vertrek van Milosevic is nooit een grote schoonmaak gehouden, is de analyse van Kamponeski, in een rokerig café in Belgrado. „Eigenlijk heeft onze revolutie gefaald. Uit een roedel van vijftig valse honden hebben we er maar één gedood.”

Politici uit het oude regime bleven actief, de geheime diensten bleven achter de schermen nog lang besturen en chanteren. En bovenal kreeg de nieuwe economische elite, oorlogsprofiteurs die dankzij hun contacten de krenten uit de pap visten tijdens de privatiseringen, na 2000 ruim baan om hun positie te verstevigen en te legaliseren.

Inmiddels zijn deze ‘tycoons’ de rijkste Serviërs, de grootste financiers van politieke partijen en volgens de meeste Serviërs de eigenlijke machthebbers. Politici uit de jaren negentig doen nog volop mee aan het hedendaagse bestuur. Ivica Dacic bijvoorbeeld, die in de jaren negentig de perscontacten deed voor de Socialistische Partij onder Milosevic, is nu populair als minister van Binnenlandse Zaken en presidentskandidaat. De vroegere radicale nationalisten hebben een nieuwe partij gevormd die ze de ‘progressieve partij’ hebben genoemd en die nu grote kans maakt de verkiezingen te winnen.

In vergelijking tot eerdere verkiezingen spelen nationalistische thema’s dit keer een kleine rol. Partijen hebben de ongeschreven afspraak het zo min mogelijk te hebben over het verlies van de vroegere Servische provincie Kosovo. Dat toetreding tot de EU de enige weg vooruit is, is onder politici vrijwel onomstreden.

Wat burgers echt interesseert is het gebrek aan werk en de hoge prijzen voor levensmiddelen. Daarover is weinig positiefs te melden. De koopkracht van Serviërs is ook onder het pro-Europese bewind van de afgelopen jaren verder gedaald.

Gaan stemmen heeft volgens Kamponeski geen zin. Een verlaat zuiveringsproces ook niet meer. De rot zit al te diep. „Wie zou dat moeten doen”, vraagt hij zwartgallig. De beste mensen zijn naar het buitenland vertrokken. De nieuwe jongeren groeiden op met de chaos en oorlogseconomie als voorbeeld.

In de aanloop naar verkiezingen in Servië dragen commentaren als dat van Kamponeski bij aan de eigenaardige sfeer die in het land hangt. Politiek is overal. Cynisme ook. Niemand gelooft een woord van wat op de verkiezingsposters staat.

Politieke partijen hebben hun kiezers keer op keer laten zitten. Beloften bleken hol, zegt Marko Blagojevic, directeur van Cesid, een Servisch bureau dat opiniepeilingen en sociologisch onderzoek doet. „Dat heeft er helaas niet toe geleid dat de partijen zijn veranderd, maar wel de kiezers. Die verwachten minder en minder van de politiek.”

Politiek is verworden tot een illusieloze reeks transacties. In verkiezingstijd worden banen beloofd en nemen politici de telefoon op. Daarom houdt iedereen rekening met grote verschuivingen binnen de ambtenarij: ‘Mijn neef heeft nu geen werk, maar na de verkiezingen krijgt hij misschien een baan bij het museum’ of ‘Nu mijn bouwvergunning aanvragen heeft geen zin, ik wacht wel tot september, als de banen in het lokaal bestuur herverdeeld zijn’.

Net als vroeger in Griekenland, wordt met overheidsbanen loyaliteit gekocht. Een baan vind je niet, die krijg je. ‘Ik wacht op werk’, is in het Servisch de uitdrukking voor werkloos zijn.

Ondanks het cynisme zullen de meeste mensen wel gaan stemmen, verwacht Blagojevic. „Het is het enige moment dat hun tenminste nog iets wordt gevraagd.” De rest van de tijd hoeven politici volgens hem geen verantwoording af te leggen tegenover hun achterban. Stemmen doe je in Servië niet op een kandidaat, maar op een partij, die vervolgens de parlementszetels verdeelt onder het loyale partijkader. Tot voor kort ondertekenden parlementariërs bij aantreden een ongedateerde ontslagbrief, die de partij tegen hen kon gebruiken als ze niet stemden zoals hen door de leiding werd opgedragen.

Inmiddels is die praktijk verboden. Maar in plaats daarvan gebruiken politieke partijen nu financiële schuldbekentenissen om het stemgedrag in het parlement vanuit de top te kunnen afdwingen, vertelt Blagojevic. Een parlementariër die zich niet gedraagt moet zijn partij dan een ton in euro’s terugbetalen.

De meeste campagne-uitspraken blijven vaag. ‘Voor Servië, je weet wel waarom’, is bijvoorbeeld de slogan op de billboards van een nationalistische partij. „Partijen kijken wel uit concrete beloften te doen”, zegt Blagojevic. „Zij weten dat kiezers inmiddels weten dat ze beloften toch niet nakomen.”

Er zijn wel verbeteringen – „dat Servië nu EU-kandidaat is, is vooruitgang” – maar die vorderen uiterst traag. Mensen uit de generatie van Kamponeski hadden onrealistisch hoge verwachtingen, vreest Blagojevic. Ze hoopten in een paar jaar tijd een frisse start te maken na ruim een decennium oorlog en achteruitgang. Dat is niet gelukt.