Opgelucht verlaat de kolonel Kunduz

Commandant Nico van der Zee leidde afgelopen half jaar de Kunduz-missie. Hij werkte er met een krap mandaat in een complexe omgeving.

Redacteur Defensie

Kunduz. Kolonel Nico van der Zee houdt kantoor in een grote tent. Om de elektrische kachel in zijn onderkomen op het legerkamp in Kunduz hebben Nederlandse militairen een schouw getimmerd.

Hier, op geknoopte Afghaanse kleden en Chinese nepleren banken, heeft de kolonel de afgelopen zes maanden „openhaardgesprekken” gevoerd. Met Afghaanse hoogwaardigheidsbekleders, met partners van de Duitse en Amerikaanse troepen waarmee Nederland het kamp deelt, met collega’s van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse politie, en met de ruim driehonderd militairen aan wie hij hier leiding geeft. Gaf, want Van der Zee heeft afgelopen weekeinde het commando van de politietrainingsmissie overgedragen aan zijn opvolger.

Hij zucht opgelucht: „De spanning valt van mij af.”

Was het zo spannend in Kunduz, het afgelopen half jaar dat u hier commandant was?

„Het is niet zo dat ik gebukt ging onder de druk, maar als commandant ben je toch verantwoordelijk voor alles wat hier gebeurt. Dus als je die verantwoordelijkheid hebt overgedragen, ben je wel blij dat alles goed gegaan is. Dat er geen ongelukken zijn gebeurd.”

Zat u elke keer met een knoop in uw maag als uw militairen het kamp verlieten om lokale agenten op te leiden?

„Nee, als dat je functioneren zo erg beïnvloedt, ben je niet geschikt om hier commandant te zijn. Maar er zijn wel momenten geweest dat je extra waakzaam bent. Als er bijvoorbeeld een veiligheidswaarschuwing was in het gebied en wij besloten tóch de poort uit te gaan.”

Gebeurde het dat Nederland die waarschuwingen van internationale partners negeerde?

„We hebben toestemming moeten vragen van de commandant die over het noorden van Afghanistan gaat, maar vier dagen na de koranrellen [die ontstonden nadat Amerikanen in februari korans hadden verbrand op de legerbasis Bagram] zijn wij als eersten weer de stad ingegaan, op bezoek bij de politiecommandant. We wisten dat onze aanwezigheid reden voor nieuwe rellen zou kunnen zijn, maar we wisten ook dat we, elke dag dat we niet doorgingen met onze training, een achterstand opliepen.”

Bij een demonstratie tegen de koranverbranding voor een VN-kantoor in Kunduz schoten Afghaanse politieagenten vijf betogers dood. Hoe ging het toen jullie daarna weer de stad introkken?

„We waren verrast door de reactie, omdat Kunduz in het verleden vaak rustig is gebleven bij dit soort incidenten. We schrokken ervan dat het na een relatief vreedzame demonstratie alsnog uitliep op rellen.

„Een paar dagen later konden we weer aan het werk, maar we merkten dat ook de Afghaanse agenten zeer gekwetst waren door het verbranden van de korans. Het waren niet ‘onze’ agenten die op demonstranten hadden geschoten, maar er was wel wrijving ontstaan tussen de politie en de bevolking. Een tegenslag, omdat wij hier juist proberen het contact tussen politie en bevolking te verbeteren.”

Was de bevolking ook boos op Nederlandse militairen, die hier samenwerken met de Amerikanen?

„We hadden geen idee hoe mensen na de koranverbranding op ons zouden reageren, maar het ging goed. Ik denk dat ze hier in Kunduz, waar een universiteit is en je auto’s kunt kopen, prima onderscheid kunnen maken tussen een Amerikaanse militair en een Nederlandse politietrainer. In de kleinere stad Khanabad, waar we sinds februari ook trainingen geven, was dat veel minder het geval.

„Het heeft ons weken gekost om het vertrouwen weer te winnen. Er zijn ook agenten opgestapt omdat hun familie of omgeving niet wilde dat ze nog langer met westerse militairen werkten.”

Vorig jaar kreeg de Nederlandse minderheidsregering steun van de zogeheten Kunduz-coalitie. GroenLinks, D66 en de ChristenUnie stemden na de terugtrekking uit Uruzgan onder strikte voorwaarden in met een nieuwe missie in Afghanistan. Marechaussees mogen in Kunduz alleen lokale agenten opleiden en geen leden van meer militante politietypen, zoals de grenspolitie. Politierekruten krijgen een basiscursus en daarnaast moeten alle 1.600 politiemannen (en 26 politievrouwen) in de provincie worden gevolgd, onder meer om te voorkomen dat zij zich mengen in ‘offensieve taken’. Uit onderzoek van NRC Handelsblad bleek dat een door Nederland geschoolde agent kort na zijn opleiding tóch een vuurgevecht had gevoerd.

Kunt u agenten wel volgen, zoals de Kamer verlangt?

„Ik weet niet van minuut tot minuut wat de jongens die wij opleiden doen. Ze hebben geen enkelbandje om en ik heb hier geen scherm waarop ik kan zien waar ze zijn. Ik zou het, eh, vreemd vinden om dat te verwachten. Maar ik weet van 821 agenten waar ze werken en ik kan hen bereiken als ik het vermoeden heb dat er iets misgaat. In het geval van dat vuurgevecht hebben we kunnen vaststellen dat het om zelfverdediging ging.

„Het blijft in de Afghaanse context lastig agenten uit te leggen dat ze niet mee mogen doen aan ‘offensieve acties’. Wij hebben hier niet binnen een paar maanden voor een omslag gezorgd waardoor agenten denken dat ze vooral waakzaam en dienstbaar moeten zijn. Deze dappere mensen gaan bij de politie omdat ze bereid zijn te sterven voor hun land.”

Tijdens uw termijn hier is in Den Haag gesproken over mogelijke uitbreiding van het krappe mandaat van de missie. Toch is besloten niet meer agenten op te leiden. Wat vindt u daarvan?

„Ik zal niet ontkennen dat ik het oprecht jammer vind dat we onze capaciteit niet kunnen gebruiken om ook agenten van buiten de provincie een opleiding te geven. Ik weet dat we ze daar niet kunnen volgen, maar het is zonde als ze niet worden opgeleid.

„Mij wordt vaak gevraagd: is dat mandaat uit Den Haag niet verschrikkelijk om mee te werken? Ik vind het wel meevallen, want ik begrijp dat ze inzetten op kwaliteit. Ja, de vangrails waar wij tussen moeten rijden, zitten wel erg dicht bij elkaar. Maar als je weet welke kant je op gaat, hoef je die vangrail nooit te raken.”