Langzaam en duur - dat groeit slecht

Het gaat niet goed met de Braziliaanse industrie door de hoge rente en goedkope dollars. De maatregelen van de regering helpen niet, zeggen economen.

Workers monitor the cotton spinning process, July 13, 2004, at Maeda Group Yarn Industry, in operation since 1991, in Ituverava, a region 250 miles from Sao Paulo, Brazil. President George W. Bush's government appealed a World Trade Organization decision that last month found U.S. cotton aid worth $3 billion violates global trade rules, an official at the U.S. mission to the WTO and a spokeswoman for the Geneva-based trade body said. Photographer: Jean Pierre Pingoud/Bloomberg News Bloomberg News

Het woord is gevallen, maar vooralsnog taboe in de Braziliaanse hoofdstad Brasília: de-industrialisatie. Economen discussiëren er al over en de vakbonden zijn er bang voor. Een opkomende economie als die van Brazilië kan toch niet nu al in de fase van de-industrialisatie zitten?

De Braziliaanse industrie ligt onder het vergrootglas. In 2011 daalde het belang van de nationale industrie in het bruto binnenlands product naar een dieptepunt van 14,6 procent (15,8 in 2010), vergelijkbaar met het zorgelijke niveau van de jaren vijftig.

Doemdenkers vrezen het ergste. De schoenenbranche krimpt, de textielindustrie lijdt, de auto-industrie zucht. Waar houdt het op? Een van de gevolgen: een tegenvallende economische groei in 2011 van slechts 2,7 procent. Dus heeft de regering tal van maatregelen aangekondigd om de industrie een impuls te geven.

Volgens de analyses van de regering zijn de oorzaken van de malaise helder. De hoge rente (9 procent) in de zesde economie van de wereld is een blijvend probleem. Zij maakt leningen voor investeringen duur. Tegelijkertijd stimuleert zij de instroom van goedkope dollars – door president Dilma Rousseff „een monetaire tsunami” genoemd.

Dat laatste heeft weer geleid tot een dure reaal: pijnlijk voor de export, fijn voor de import. Brazilië zal zijn nationale industrie niet laten „afbreken” door deze ontwikkelingen, zo zei Rousseff.

De taal van de regering is veelzeggend. „We zullen er alles aan doen om onze industrie te beschermen”, luidt de boodschap. Met de nadruk op protectie en niet op verbetering van de (verouderde) infrastructuur en op verlaging van de (hoge) belastingdruk voor bedrijven.

„Het is de oude ideologie van ambtenaren die in de jaren zeventig zijn blijven hangen”, zegt Mônica Blaumgarten, een gezaghebbende econoom in Rio de Janeiro. „Men kijkt vooral naar externe oorzaken. Brazilië zou in therapie moeten, om naar zichzelf te leren kijken.”

Hoe reageert de regering op de industriële crisis? Door de staatsbanken aan te sporen de rente te verlagen. Door de consumptie te stimuleren. Door de geldkraan naar ontwikkelingsbank BNDES open te zetten, zodat die tegen gunstige rentes krediet kunnen verstrekken aan bedrijven. Door de import van bepaalde producten te belasten. En door her en der belastingen voor bedrijven te verlagen. Blaumgarten: „Allemaal heel voorspelbaar.”

De teloorgang van de industrie roept donkere herinneringen op. In 1956 was het aandeel van de industrie in het bbp gedaald tot een schrikbarend lage 13,6 procent. Toenmalig president Juscelino Kubitschek (1956-1960) sloeg alarm en lanceerde een vijfjarenplan om de industrie nieuw leven in te blazen.

Hij stimuleerde de auto-industrie, gaf de scheepsbouw steun, investeerde in wegen en begon met de bouw van waterkrachtcentrales. Én hij liet – zoals zo vaak in die tijd – zonder enige terughoudendheid de geldpers aanzetten. Gevolg: hoge schulden, inflatie en devaluatie van de cruzeiro (destijds de munteenheid).

„Dat was de enige keer dat de Braziliaanse regering echt met een langetermijnplan kwam. Sindsdien wordt de industrie eigenlijk aan haar lot overgelaten”, zegt econoom Blaumgarten. In 1985 piekte de industrie voor het laatst, met een aandeel van 27,2 procent in het bbp. Daarna zette de daling in, met vorig jaar dus als jongste dieptepunt.

Dit keer luidden Roberto Setubal, de baas van grootbank Itaú-Unibanco, Murilo Ferreira, bestuursvoorzitter van mijnbouwreus Vale, João Castro Neves, president van bierbrouwer Ambev en natuurlijk de rijkste man van Brazilië, Eike Batista, de alarmbel. Zij verlangden van de regering ingrepen die de industrie competitiever zouden maken. Zoals aanpassing van het dure en ingewikkelde belastingstelsel, verbetering van de infrastructuur, terugdringing van de geldverslindende bureaucratie en stimulering van de innovatie.

Maar de plannen die de regering aangekondigde, werden door economen afgedaan als „hapsnap maatregelen”. De woorden ‘lange termijn’ nam de regering niet in haar mond. En steeds werd de schuld ook weer gelegd bij het buitenland, waar lage rentes munten goedkoop houden.

Daarom zal de regering bijvoorbeeld bij voorkeur medicijnen en graafmachines kopen die geproduceerd zijn in eigen land, ook al zijn die 10 procent duurder dan vergelijkbare importproducten. Want ook de snelgroeiende import vormt een gevaar voor de nationale industrie.

De feiten achter de retoriek van de regering laten echter een ander beeld zien. Uit cijfers van 2010 van de Wereldbank blijkt dat Brazilië verhoudingsgewijs weinig importeert. Zo’n 12 procent van het bbp bestond dat jaar uit import, terwijl dat in landen als China en India respectievelijk 26 procent en 25 procent was.

Wellicht is dat lage percentage ook wel verklaarbaar: de gemiddelde importheffing in Brazilië behoort met 13,4 procent tot de hoogste ter wereld. En daarna worden er nog allerlei andere lokale belastingen geheven op het product. Ter illustratie: een iPad2 kost in São Paulo 56 procent meer dan in San Francisco.

Daar ligt precies het probleem, zegt Cristiano Prado, specialist concurrentievermogen van Firjan, de federatie van industrie van de deelstaat Rio de Janeiro. „Met de goedkope dollar moet je gewoon leren leven. Je hebt hier met absurde belastingen te maken, en andere zaken die het ondernemen belemmeren.” De regering, zegt Prado, moet zich juist afvragen hoe zij de industrie efficiënter en competitiever kan maken.

In het kantoor van Firjan ligt Prado toe waar de problemen allemaal liggen. En voor sommigen bestaan er simpele oplossingen. De Braziliaanse havens bijvoorbeeld. Er is er niet één die 24 uur per dag open is. Prado geeft een voorbeeld van een boot die na 17.00 uur aankomt, en zijn goederen wil inklaren. „Ja, sorry, maar dan zijn hier de douaneloketten gesloten. Pas de volgende dag kunnen de spullen aan land. Deze praktijk kost miljoenen. Dat zal in de havens van Rotterdam en Singapore niet snel gebeuren”, weet Prado.

Ook de elektriciteitskosten vormen een probleem. Met een prijs voor bedrijven van 143 euro per megawattuur liggen de stroomkosten grofweg 50 procent boven het gemiddelde van de overige 27 landen die zijn aangesloten bij het Internationaal Energie Agentschap. Zelfs als alle belastingen worden afgetrokken van deze uurprijs, dan zijn er nog zeven landen, waaronder China, de VS en Argentinië, waar elektriciteit (inclusief belastingen) goedkoper is.

Een soortgelijk verhaal kan Prado houden over de kosten van internet, gas of het openen en sluiten van bedrijven. Hij zegt: „Het is allemaal veel duurder hier, alles duurt langer, er is vaak meer bureaucratie, en zo kan ik lang doorgaan. De overheid zou ook innovatieve bedrijven fiscaal moeten stimuleren. Pas als dat soort zaken worden opgelost, kan de industrie echt competitief worden.”