‘Ik dwing mezelf te beginnen – zin heb ik nooit’ Scheppen Tekst Saskia van Loenen Foto Mark Kohn

Hoe ziet de werkplek eruit van mensen die scheppen? Wat hebben ze nodig om tot hun creaties te komen? Aflevering zeven: schrijver Herman Koch (1953).

‘Ik schrijf zeven dagen per week, en elke dag verloopt min of meer volgens vaste rituelen. Zo snel mogelijk na het opstaan ga ik beginnen. Ik ben een ochtendmens. Om een uur of zeven, acht pak ik de krant van de mat, lees daar iets uit terwijl ik een licht ontbijt neem en dan ga ik hier zitten, in mijn werkkamer achter de pc. Hoe korter de tijd nadat ik wakker werd, hoe frisser ik ben – al is dat ‘fris’ in mijn geval betrekkelijk, want ik douche ’s morgens nooit en ga hier vaak zitten in het T-shirt waarin ik geslapen heb. En elke ochtend is het weer hetzelfde liedje: ik heb geen zin. Wéér geen zin. Maar ik weet dat ik dan gewoon moet gaan zitten en moet beginnen. Want eenmaal begonnen gaat het al snel gewoon lekker. Inmiddels weet ik zo goed dat het zo werkt dat het eigenlijk nooit voorkomt dat ik eens een dag níét ga zitten, dat ik mezelf toesta eens een dagje over te slaan. Nooit. Ik vertoon eerst nog wat uitstelrituelen – want zin heb ik nog steeds niet – en check even Buienradar of zoiets. Daarna blader ik wat in boeken van anderen die ik goed vind; soms lees ik een stukje. Dat ritueel brengt mij in een soort mood, zo van: oh ja, jij bent óók bezig geweest, met al die alinea’s, en uiteindelijk kwam er toch een boek. Dan ga ik aan mijn eigen boek werken. Ik lees altijd eerst een klein stukje terug van de vorige dag. Alleen het laatste stukje. Vaak zie ik iets wat niet klopt en dat verbeter ik meteen; maar om die reden lees ik dus niet hele lappen tekst terug. Die tweede blik komt later wel. Dit heeft overigens wel als vervelende consequentie dat ik soms niet meer weet waar ik ben en ineens denk: shit, hoe heet die vent ook alweer? Dan schrijf ik maar even P met een vraagteken erachter. Ik ga geen tijd verliezen met dat hele manuscript doorzoeken. Maar ja, je slaat de plank dan ook wel eens mis; tijdens het schrijven van mijn laatste boek Zomerhuis met zwembad voerde ik de oude moeder van personage Judith weer op; tot ik er later achter kwam dat zij in het begin van het verhaal al was overleden – maar goed, dat zijn kleinigheden.

Die eerste twee of drie zinnen gaan bijna altijd moeizaam, maar dan ineens gebeurt er iets: alsof ik erin glij. Dat kan ik dan lang vasthouden, je komt in een soort cadans. Je moet dan niet te veel op stijl letten maar vooral doorschrijven. Na anderhalf tot twee uur schrijven ben ik echt klaar. Dan hou ik ook helemaal op. Als ik langer doorga, worden mijn zinnen slordiger en slechter. En je bent meer tijd kwijt aan slechte pagina’s waar je later nog veel aan moet verbeteren, dan aan pagina’s die nog niet geschreven zijn. Na het schrijven ben ik moe en leeg. Meestal ga ik dan een rondje rennen. Dat is het moment dat je denkt: ha, het is weer gelukt vandaag! Tijdens het hardlopen kun je er nog een beetje over doormijmeren, om het daarna uit je hoofd te zetten en er niet meer naar te kijken. En ’s middags vallen er weer twee kranten op de mat en dat is in feite óók een ritueel: lezen, ontspannen, eten.

Mijn nieuwe boek is een vervolg op iets wat ik twintig jaar terug al schreef maar nooit wist af te maken. Ik begon er steeds weer aan, om het dan weer te verlaten voor iets anders. Maar nu gaat het er toch echt komen. Het speelt deels in de jaren zeventig; om in de juiste sfeer te komen zet ik tijdens het schrijven vaak jarenzeventigmuziek op. Vroeger kreeg ik veel ideeën door te lezen of films te kijken. Nu merk ik steeds meer dat ik ideeën krijg door helemaal níéts te doen. Als ik ’s avonds naar een voetbalwedstrijd kijk – eentje waarbij het er niet toe doet wie er wint – kom ik makkelijk op ideeën. Ik lees veel minder dan vroeger, kan nu ook op een strand zitten zónder boek. Ik kijk gewoon wat. Het leidt tot gemijmer dat je niet toelaat als je iets aan het doen bent – heel inspirerend.

Wat ik schrijf is voor een groot deel fantasie. Die medische stukken in Zomerhuis met zwembad – de ik-figuur is huisarts – heb ik voor het grootste deel bedacht; het grappige is dat veel daarvan toch wel min of meer blijkt te kloppen. En natuurlijk haal ik veel uit eigen ervaringen. De walging van de hoofdpersoon voor campings; zo’n vent die hij ziet lopen richting de toiletten, met te weinig kleren aan, op plastic klompen en met zo’n wc-rol – die man heb ik gezien. Zo’n gevoel komt dan uit je tenen als je het opschrijft. En dat de hoofdpersoon zo’n gruwelijke hekel heeft aan feestjes en recepties: daar zit ook veel van mijzelf in ja. Zo ga ik al jaren niet meer naar het Boekenbal. Dat blijft toch echt heel erg een Nederlands feestje – eerst een tweederangs voorstelling en een glaasje champagne en daarna mag je in de rij staan voor muntjes. Een zuinig, calvinistisch, zurig, afgeknepen feestje. Zoals zo veel feestjes hier. Maar als schrijver kun je natuurlijk niet alles zeggen. Hoe heerlijk is het dan om mijn gevoel er middels een huisarts toch uit te kunnen gooien.”