Hout is bitter. Messing buigt boterzacht

Om de 21ste eeuw aan te kunnen moeten kinderen creatief zijn. Maar hoe leer je dat? Door voort te bouwen op kunde en kennis van materialen, zegt de meubelmaker.

Ze staan in een halve kring op een tafeltje: 27 goudkleurige ministoeltjes van messingdraad en plakband. Leerlingen van Montessorischool Leidschenveen in den Haag zitten er met hun neus bovenop en kiezen de mooiste.

Tussen de draadstoeltjes staan fantasiemeubeltjes. Een slakkenlamp met voelsprieten. Een voetenbankje, een stoel op een springveer, een zonnestoel, een driehoekige koffietafel, een kapstok voor aan het plafond en een stoel-tafel-voetsteuncombinatie. „Het is ons café”, zegt Maarten Stuifbergen, de meester van deze gecombineerde bovenbouwgroep 6, 7 en 8.

Meubelmaker en -ontwerper Onno Schelling heeft het minimeubulair met de kinderen gemaakt in een les van ruim anderhalf uur. Een maand eerder is hij aarzelend ingegaan op de uitnodiging om voor één keer als meester voor een klas leerlingen van een basisschool te gaan staan. Hij vond het spannend, maar besloot dat het belangrijk genoeg was om kinderen iets anders te leren dan spellen en rekenen. Iets wat hij belangrijk vindt.

Schelling – maker van meubels van vuilnishout en een pronkkast volgeplakt met dominostenen – wil dat de kinderen materialen leren kennen door er iets mee na te maken. Met die kennis moeten ze daarna zelf iets creëren.

De praatgrage Annelieve (9), maker van de slakkenlamp, legt uit hoe ze tot haar creatie gekomen is. „Eerst maakte ik een spiraal, maar toen wist ik nog niet wat het was. Toen zag ik dat het een slak was. Slakken zijn mijn lievelingsdieren. Toen maakte ik de rest erbij.”

Eerder in de les hebben de kinderen kennisgemaakt met hout, Schellings favoriete materiaal. Van het doorzagen van boomstammen in de klas heeft hij op het laatste moment afgezien. In plaats daarvan mogen de kinderen ruiken aan dunne plankjes eikenhout, eraan voelen en er zelfs aan likken.

„Het voelt droog en het smaakt bitter”, zegt Lauren (11). Schelling toont een stukje mdf-plaatmateriaal. „Daar zit minder natuur in”, zegt hij. „Het is gemaakt van geperste vezel.” Annelieve drukt haar neus er tegenaan: „Het ruikt naar bouwmarkt.”

Onderwijsspecialisten debatteren dezer dagen over de vaardigheden die kinderen nodig hebben voor de 21ste eeuw. Creativiteit staat hoog op het lijstje van skills waar beleidsmakers en bedrijfsleven naar op zoek zijn. Schelling begrijpt het niet zo. Creatief zijn is haast onmogelijk, zegt hij, als je niet ergens op kunt voortbouwen. Op kunde en inhoudelijke kennis van een materiaal bijvoorbeeld.

Om kinderen te leren wat voor een materiaal hout is, gaat Schelling voor de klas staan. Zijn armen zijn takken die zich volzuigen met sappen uit de grond. Hij wijst de kinderen op de minuscule gaatjes in gezaagd hout die deze sappen transporteren en die ervoor zorgen dat droog hout zo makkelijk water opzuigt. Nadat de kinderen hun eikenplankjes hebben natgemaakt trekken ze in een mum van tijd krom tot een boogbruggetje. „Kijk eens hoe hij wiebelt”, roept Alex (12).

Schelling toont de klas een elegant stoeltje, gemaakt van plakband en één doorlopend stuk messingdraad. Hij laat de kinderen voelen dat messing, een legering van koper en tin, boterzacht tussen je vingers doorbuigt, heel anders dan ijzerdraad. Na drie keer buigen behoudt het zijn vorm en krijg je de draadkronkels nog maar moeilijk recht. „Maak het stoeltje nu maar na”, zegt Schelling.

Het snowboarden heeft in de voorjaarsvakantie zijn tol geëist, maar gipsarmen zijn geen belemmering voor het werken met de kniptang en gefrunnik met de vrije vingers. „Het gaat best hoor”, zegt Fleur (12), met haar in blauw gips gevatte onderarm. Ook Mark (12) is ondanks zijn gebroken arm behendig: „Het is maar een beetje gebroken.”

Schelling legt uit dat meubelontwerpers zich in de jaren dertig van de vorige eeuw lieten inspireren door de mogelijkheden van materiaal, net als de kinderen nu: „De technologische ontwikkeling maakte het mogelijk om uit een doorlopende holle metalen buis een stoelframe uit één stuk te maken. Verschillende ontwerpers, onder wie Marcel Breuer en W.H. Gispen, bedachten en ontwierpen toen nieuwe stoelen.”

„Yes!”, is de reactie van de klas als Schelling aankondigt dat de kinderen nu zelf een meubelstuk mogen bedenken dat past bij het stoeltje. Een paar meisjes experimenteren met messing als ceintuur of diadeem, maar dat is niet wat Schelling wil zien. „Je bent gebonden aan het materiaal en de opdracht”, zegt hij. Aan het einde van de les is iedereen nog druk bezig, maar er is nog net voldoende tijd voor een paar trotse demonstraties.

„Eerst wist ik niet wat ik moest maken”, zegt Vincent (11), de maker en bedenker van de stoel-tafel-voetsteuncombinatie. „Toen vroeg ik het en toen zei iemand: ‘maak een tafel’ en toen heb ik alles eraan vast gemaakt.”

Meester Maarten vult aan: „Je wilde iets maken, maar het lukte niet. Toen heb je tegen iemand gezegd: ik kom er niet uit. Hij gaf je een idee en toen lukte het wel.” Onno Schelling kan zich in deze analyse wel vinden: „Ik bespreek ideeën en ontwerpen altijd eerst met mijn vrouw.”