Hartje oorlog reisden we naar vijandig gebied

Aly Kobus-Egberts maakte in 1943 als meisje van 17 een bizarre treinreis door Duitsland om het lichaam van haar dode vader op te halen. Haar verhaal over een vergeefse tocht.

‘Mijn moeder en ik moesten de nacht doorbrengen op een station in Berlijn. In de wachtruimte zaten allemaal Wehrmacht-militairen met geamputeerde benen; de broekspijpen omgeslagen alsof ze korte broekjes aan hadden. Ze zullen vast niet allemaal het been eraf hebben gehad, maar in mijn herinnering is dat wel zo.

„Ik was net zeventien jaar en nog nooit in het buitenland geweest. In 1943 ging niemand de grens meer over, het was hartje oorlog. Reizen met de trein was levensgevaarlijk; je passeerde grote steden en een trein was gemakkelijk te bombarderen. We moesten door vijandig gebied. Maar we hadden geen keus. Het was de enige manier om vader te begraven in Duitsland. Toen we uit Hengelo vetrokken, wisten we nog niet dat die hele reis voor niets zou zijn.

„Op Palmzondag, 18 april, was de dominee bij ons aan de deur gekomen. Dit was gek, want mijn ouders en ik waren niet kerkelijk. Hij kwam vertellen dat mijn vader overleden was. Met de directeuren van Stork, die in een auto voor ons huis wachtten, had hij afgesproken dat hij met het ganglicht zou knipperen als hij het nieuws verteld had. „Lise”, – zo noemde mijn moeder mij – „ze zeggen dat vader dood is”, riep mijn moeder naar boven. „Maar daar geloof ik niks van hoor.” Ze begon te lachen. Wilde het niet tot zich door laten dringen. Ik wist meteen dat het waar was. Ik geloof dat ik ben flauwgevallen. Er zat ook een dokter in die auto. Ons huis was opeens vol mensen.

„Mijn vader werkte op de montage-afdeling van de machinefabriek van Stork. Moesten er grote turbines vervoerd worden, dan ging hij mee met de trein. Ter plekke was hij verantwoordelijk voor het in elkaar zetten van de machines. De Duitsers hadden zo’n trein geconfisqueerd met een stoomturbine erop die bedoeld was voor de elektriciteitscentrale in Utrecht. Mijn vader en een paar collega’s van Stork moesten mee naar Finkenheerd, ruim honderd kilometer achter Berlijn. Daar werd hij in een elektriciteitscentrale tewerk gesteld. Er werkten Franse en Poolse krijgsgevangenen. Als enige mocht hij elke maand een paar dagen naar huis. Hij ging na het verlof altijd terug, ook al kwam hij op een dag ondervoed thuis en drong mijn moeder aan op onderduiken. Maar als hij de klus niet afmaakte, had dat gevolgen voor de andere arbeiders.

„De turbine in Finkenheerd was tijdens het proefdraaien uit elkaar gevlogen, vertelden de heren Stork ons die Palmzondagavond. Mijn vader had een brokstuk tegen zijn hoofd gekregen toen hij wilde kijken waarom de machine zo’n kabaal maakte. „Het lijkt warempel wel luchtalarm”, waren zijn laatste woorden. Hij schijnt op slag dood te zijn geweest.

„Ze zouden zorgen dat vader naar Holland kwam, zeiden de heren Stork. Maar twee dagen later lieten ze ons weten dat ze geen toestemming kregen van de Duitse gezaghebber. Ze hadden tickets geregeld voor mijn moeder en mij; wij konden naar Finkenheerd. Nog diezelfde dag vertrokken we vanuit Hengelo. Een tante had voor eten gezorgd. Ze had niet kunnen bedenken dat er die hele lange reis nergens iets te drinken te koop was. We hadden zo’n ontzettende dorst.

„Mijn moeder was radeloos, in mijn herinnering zat ze de hele weg als een bang vogeltje in elkaar gedoken. Ik deed het woord. De laatste stop voor Berlijn was Hannover. Daar hoorde ik onze naam omroepen. „Ein Telegram für Frau Egberts.” Ik sprong uit de trein en griste het bericht uit de handen van de telegrafist. Pas toen de trein alweer reed, kon ik het openmaken. Er stond in dat vaders lichaam toch op weg was naar Nederland. We waren voor niets onderweg. Maar de eerstvolgende stop was Berlijn, dus daar konden we pas een trein terug nemen.

„Laat op de avond kwamen we aan op het Hauptbahnhof. Daar begreep ik dat we naar een ander station moesten voor de trein naar Holland. Mijn Duits was niet best. Op school maakten we altijd bewust fouten in de proefwerken Duits. Haalde je een voldoende, dan was je meteen verdacht. In Berlijn vroeg ik hulp. We moesten een U-bahn nemen naar het andere station. U-bahn? Dat fenomeen kende ik niet. Maar we zijn erin gekomen.”

‘Ik hoor vaak van mensen dat Berlijn zo’n mooie stad is. Daar kan ik mij niets bij voorstellen. Ik heb veel gereisd in mijn leven, maar dáár ben ik nooit meer geweest. Dat wilde ik mijzelf niet aandoen. In Berlijn heb ik alleen maar puin gezien. Kapotte gebouwen, totale duisternis. Het luchtalarm ging af, we renden achter wildvreemde mensen aan een schuilkelder in. Uiteindelijk hebben we toch het andere station bereikt. Daar zaten ze, die militairen met hun geamputeerde benen. Vreselijk.

„Toen we twee dagen later terugkwamen in Nederland, dachten we dat vader er al zou zijn. Maar dat was niet zo. De vrijdag ging voorbij. Zaterdag zou de begrafenis in Hengelo zijn. Mijn vader had bij veel verschillende afnemers van Stork gewerkt, dus er zouden mensen uit heel Nederland komen. Een verschrikking om in die oorlogsjaren te reizen. De begrafenis móest doorgaan.

„Samen met een buurman ging ik steeds naar het station om aan de Duitse stationschef te vragen of die goederenwagon uit Berlijn al was aangekomen. Zo ook op zaterdagochtend om zeven uur. Ik was wanhopig. De Duitser was daar gevoelig voor. Hij had me al zo vaak gezien. Hij zei: „Ik zal via het Kriegsministerie in Berlijn proberen contact te krijgen met de centrale in Finkenheerd”. Dat lukte, en via de directeur kreeg hij het nummer door van de wagon die mijn vader vervoerde. De bewaker heeft toen alle stations tussen Berlijn en Hengelo gebeld. Tot onze grote ontzetting bleek de wagon met vader erin op een dood spoor terecht te zijn gekomen. In Gronau, net over de grens. Waarom, dat is ons nooit duidelijk geworden. De Duitser gaf opdracht de kist onmiddellijk naar Hengelo te rijden. Twee uur voor de begrafenis stond vader bij ons thuis in de voorkamer. Mijn moeder en ik werden door een oom naar boven gestuurd. De kist – een groot ding op poten – was verzegeld, maar hij maakte hem open om zeker te weten dat zijn broer erin lag.

„Als een soort eerbetoon trok de begrafenisstoet op 24 april 1943 langs het hoofdkantoor van Stork. Juist op dat moment ging het luchtalarm af. Stork was al vaker het doelwit van bombardementen geweest en iedereen had maar één gedachte: weg hier. De stoet stoof uit elkaar. Mijn moeder en ik zaten in de eerste koets achter de lijkwagen, een platte paardenwagen met baldakijnen en zwarte gordijnen. Onze koetsier reed door richting het kerkhof aan de Oldenzaalsestraat, dat even buiten Hengelo lag.

„Ik zie ons nog samen bij het open graf staan. Ik had het laatste paar kousen aan dat ik nog bezat. Bij de knieën waren ze helemaal kapot. Van de zenuwen had ik zo over mijn benen gewreven dat de kousen waren gescheurd. Langzaam kwamen meer mensen aan op de begraafplaats. „Zeg vader gedag”, bleef mijn moeder herhalen. „Je ziet hem nooit weer”. Ik kon het niet. Ik stikte zowat. Wat wist ik van die dingen.”

‘De laatste twee jaren van de oorlog waren het zwaarst. Mijn moeder kwam tijdens de hongerwinter de deur niet uit en in de gaarkeukens kreeg ik vaak geen eten omdat ik altijd rode wangen had. Ik zag er te goed uit. Op een dag kwam ik met een pannetje thuis. We dachten dat er een groot stuk vlees in lag en van blijdschap dekte mijn moeder de tafel. Het bleek een vaatdoek.

„Hengelo werd op 3 april 1945 bevrijd. Vanuit het slaapkamerraam zag ik ze aankomen: de Canadezen. Ik schreeuwde. Die zomer dansten we op de straten. Pas toen, in vrijheid, realiseerden we ons hoe erg de oorlog was geweest.

„Ik ben boos geweest op de Duitsers dat ze mijn vader hebben meegenomen. Maar zijn dood heb ik niemand persoonlijk kwalijk genomen. De directeur van de centrale in Finkenheerd, de stationschef… ze hebben er alles aan gedaan om ons te helpen. Ik zou eerder boos moeten zijn op de Franse en Poolse krijgsgevangenen. Later bleek dat zij tijdens het laatste verlof van mijn vader – op mijn verjaardag – de turbine hadden gesaboteerd.

„In 1950 ben ik met mijn man Wim verhuisd van Hengelo naar Twello. We hebben altijd meegelopen in stille tochten op 4 mei. Nu zijn we slecht ter been en blijven we thuis. Dat geeft niet. Ik heb een gedenksteen voor mijn vader in mijn hart.”