‘Flou’ overtuigt vooral in het beeld

Flou van Abke Haring. Inl. Nederlandse tournee: toneelhuis.be.

Een man en een vrouw aan de rand van het toneel. Blote voeten. De ruimte die hen omringt is onttakeld, kaal. Wit plafond, witte betonnen vloer. Het pand biedt ze geen beschutting: de regen sijpelt onbarmhartig door het dak – een prachtige decorvondst van Jean Bernard Koeman. Magisch, hoe hij water onzichtbaar maar toch onmiskenbaar door het plafond laat druppen: dreigend, repetitief. Her en der wordt het opgevangen, in uiteenlopend laboratoriumglaswerk. Dat verbeeldt krachtig de thematiek: een vergeefs experiment, verval, verdriet: het water vloeit als dikke tranen.

De man en de vrouw houden elkaar lang vast, kunnen elkaar niet loslaten, lijkt. Terwijl ze tegelijkertijd al mijlen van elkaar verwijderd zijn. Want daar gaat Flou van de Vlaamse theatermaakster Abke Haring over: over een huwelijk in ontbinding. Hun handen haken in elkaar, maar ze kunnen de afstand tussen hen al niet meer overbruggen.

Flou houdt het midden tussen een installatie en een voorstelling, en is het sterkst wat de beelden betreft. Haring en Koeman schiepen een consequent, vormvast en dwingend universum. Het spel van Haring past daar goed bij: koeltjes, toonloos, artificieel. Zij sleept je moeiteloos mee in deze wereld waar alle emotie is verdwenen of wordt onderdrukt.

Het spel van Han Kerckhoffs daarentegen is wel psychologisch ingeleefd. Dat kan een bewuste stijlbreuk zijn (de personages spreken een andere taal), maar het doorbreekt het krachtige, heldere concept. Dat geldt ook voor de tekst. Losse zinnetjes over de boodschappen, gevolgd door een pornofantasie; het blijft loos, zonder richting, zonder pointe. Hier veroorlooft Haring zich een vrijheid die vertroebelt.