Eliminatie Fortuyn onvermijdelijk?

Was de uitschakeling van de messiasfiguur Pim Fortuyn niet onvermijdelijk? Wie het verbod op discriminatie wil afschaffen, ruilt de politiek in voor de burgeroorlog, stelt Jos de Mul.

Het zal op 6 mei 2012 tien jaar geleden zijn dat Pim Fortuyn op brute wijze werd vermoord door milieuactivist Volkert van der G. Vriend en vijand zijn het erover eens dat de ‘Fortuynrevolte’ de Nederlandse politiek diepgaand heeft beïnvloed. De meningen lopen evenwel sterk uiteen over de vraag wat die invloed precies is geweest en hoe deze te waarderen. Is het ‘gedachtegoed van Pim’ vooral gelegen in de inhoudelijke thema’s die hij agendeerde – immigratie en integratie, islamisering, Nederlandse identiteit, criminaliteit, de kloof tussen politiek en burgers – of komt het veeleer tot uitdrukking in de populistische stijl waarmee Fortuyn politiek bedreef en die de Nederlandse politiek sindsdien domineert?

Zo mogelijk is er nog minder overeenstemming over de vraag hoe we de spectaculaire politieke opkomst van Fortuyn moeten verklaren en waarderen. Gaf hij een stem aan het ongenoegen dat door de politieke elite van het land decennialang was genegeerd? Was hij een ‘nationale Pietje Bell’ die straffeloos allerlei kattekwaad mag uithalen, omdat hij in de grond genomen een gouden hartje heeft? Of was het succes van de ‘politieke dandy’ Fortuyn een symptoom van de individualistische en hedonistische massacultuur die zich breed maakt in de media?

Een mogelijk antwoord op deze vragen is te vinden in Fortuyns messianistische beschouwingen in zijn boek De verweesde samenleving (1995). In dit – volgens de ondertitel – „religieus-sociologische traktaat” bespreekt Fortuyn „de destructie van de Wet van de vader”. Met deze psychoanalytische formule doelt hij niet alleen op de secularisatie, die in de westerse cultuur – Nederland voorop – heeft geleid tot een ondermijning van religie en religieuze autoriteiten, maar ook op de ondermijning van politieke autoriteit, die volgens hem vooral zijn beslag heeft gekregen sinds de door studentenprotest, feminisme en seksuele bevrijding gekenmerkte, antiautoritaire jaren zestig. Het is „de erfzonde van de babyboomers, mijn generatie dus”. Volgens Fortuyn zijn de problemen waarmee de samenleving kampt het gevolg van deze destructie van de Wet. We horen hier een echo van wat in de negentiende eeuw al werd voorspeld door Dostojevski en Nietzsche: als God dood is, is alles geoorloofd en komt de cultuur in de greep van het nihilisme. De samenleving, concludeert Fortuyn, „is er een geworden van wezen, zonder leiding, zonder geborgenheid, zonder doel”.

Zijn oplossing is een terugkeer van de Vader, „in het gezin, op school, de vereniging, in de buurt, in de bedrijven en de instellingen en ten slotte in het publieke domein”. Fortuyn beschrijft deze nieuwe leider in politiek-religieuze termen als een Mozes die het volk leidt naar het beloofde land. De laatste zin van het boek maakt duidelijk wie deze rol moet spelen: „Ik ben gereed. U ook? Op weg naar het beloofde land.”

Deze messianistische rol, merkte de theoloog Coen Wessel al enkele maanden voor de moord op, was Fortuyn op het lijf geschreven. Niet alleen bezat hij het benodigde charisma, maar hij voelde ook een diep roepingsbesef en speelde de rol van martelaar – in geen enkele politieke partij welkom en door Jan Nagel verraden – met verve. Het verklaart ook iets van de emotionele, bijna religieuze verering die Fortuyn reeds bij zijn leven ten deel viel. De politieke Messias wordt niet in de eerste plaats gevolgd om de inhoud van zijn plannen, maar omdat hij belooft het paradijs hier en nu te realiseren.

Volgens Freud zijn de hedendaagse leiders van de massa te beschouwen als een reïncarnatie van de Oervader. Aanknopend bij een idee van Darwin gaat Freud er in zijn just-so-story van uit dat de primitiefste vorm van de menselijke samenleving bestond uit een oerhorde die op despotische wijze werd geleid door de alfaman – de hoogste man in de rangorde van de horde. Een dergelijke oervader oefende als een despoot macht uit over de horde. Hij hield van niemand behalve zichzelf. Van de anderen hield hij alleen voor zover ze zijn behoeften dienden.

De figuur van de oervader fascineert volgens Freud, omdat de massavorming in onze eigen tijd kan worden begrepen als een terugkeer van de Oervader. Juist in een ‘verweesde’ samenleving als de Nederlandse, waarin krachtige ‘vaderfiguren’ ontbreken of niet meer serieus worden genomen, bestaat er een sterk onbewust, want onderdrukt, verlangen naar het herstel van een dergelijke autoriteit – zeker in tijden waarin de polderhorde van buitenaf wordt bedreigd door allochtone indringers! Een dergelijke roep om een sterke leider in crisistijd is van alle tijden en vindt juist in de democratie, waar het volk het voor het zeggen heeft, een gewillige uitlaatklep. Al in de klassieke democratie Athene greep de demagogische leider Kleon de macht zodra de vijandige horden uit Sparta voor de poort stonden.

Volgens Freud liep het met de Oervader slecht af omdat de zonen vroeg of laat tegen hem in opstand kwamen. Nadat zij de Oervader hadden vermoord, brak een strijd van allen tegen allen uit, totdat een van de zoons zich die rol toe-eigende. De overgang naar de beschaving vond pas plaats nadat de zonen na de zoveelste moord besloten deze cirkel van geweld te doorbreken door het instellen van het verbod op incest en het doden van clanleden.

Het messianistische populisme is een van de opvallende uitingsvormen van de terugkeer van de Oervader. Ook het scenario lijkt zich te herhalen. In het licht van de unheimliche mythe van de oerhorde dringt zich de ongemakkelijke vraag op of de uitschakeling van de messianistische Fortuyn niet onvermijdelijk was. Wie door het uitspreken van de wens het eerste artikel van de Grondwet – dat discriminatie verbiedt en daarmee een van de pijlers is waarop de democratische rechtsstaat berust – af te schaffen, zoals Fortuyn deed in een op 9 februari 2002 door de Volkskrant gepubliceerd interview, kondigt in feite de ‘politieke natuurtoestand’ af en ruilt daarmee de jure de politiek in voor de burgeroorlog. Hiermee zette Fortuyn de schop in de dijk die de politieke polder beschermt tegen natuurgeweld. Natuurlijk wil ik niet beweren dat het onvermijdelijk was dat Fortuyn fysiek werd vermoord en nog veel minder zou ik die moord willen verdedigen, maar dat het uitroepen van de politieke natuurtoestand onvermijdelijk enige vorm van symbolisch of reëel geweld oproept, ligt hoe dan ook besloten in een dergelijke, de rechtstaat opschortende daad zelf. Het symbolische geweld kwam van Leefbaar Nederland, dat Fortuyn naar aanleiding van het interview afzette als leider. De moord in het Media Park was de barbaarse herbevestiging van de symbolische moord die al had plaatsgevonden.

Na de moord op Fortuyn zagen we hoe in de LPF de politieke zonen van Fortuyn elkaar ‘de tent uitvochten’. Ook in de PVV zijn de zonen in opstand gekomen tegen Wilders. Populistische leiders spelen een gevaarlijk spel. Ze spelen weliswaar het democratische spel mee, maar tegelijkertijd morrelen ze aan de grondvesten van de rechtsstaat. Na Fortuyn heeft vooral Wilders het democratisch-populistische dubbelspel vervolmaakt – enerzijds als gedoogpartner daadwerkelijke invloed uitoefenen op het regeringsbeleid, anderzijds ten volle de populistische kaart uitspelen van stigmatisering en discriminatie. De afgelopen weken is evenwel gebleken dat ook Wilders deze spagaat niet heeft kunnen volhouden.

Het populisme lijkt op een tweesprong te staan. Het kan, zoals Leefbaar Rotterdam heeft gedaan, zich voegen in de politieke orde en kiezen voor het alledaagse politieke geploeter en kleine stapjes vooruit, of alle kaarten zetten op de populistische ondermijning van die orde. Voor de laatste optie lijkt Wilders te hebben gekozen.

Karl Marx heeft eens opgemerkt dat alle gebeurtenissen zich in de geschiedenis tweemaal voordoen – de eerste keer als tragedie, de tweede keer als klucht. Het lijkt erop dat de tragische moord op Fortuyn en de ondergang van de LPF hun kluchtige reprise krijgen in de desintegratie van de PVV. Misschien is de tweede keer een klucht, oppert Marx, omdat we dan met een gelukkig gevoel afscheid kunnen nemen van dat wat zijn tijd heeft gehad.

Daaraan gaat dus wel een gruwelijke tragedie vooraf. Misschien is het inzicht in de unheimliche dimensie van het politiek messianisme wel de belangrijkste les die we kunnen leren uit Fortuyns politieke wedervaren. Radicale messianistische utopieën leiden niet zelden tot radicale teleurstelling, zo niet erger. Dat Fortuyn zijn boodschap ‘aan het volk van Nederland’ met zijn leven heeft moeten betalen, is een blijvende schandvlek in de vaderlandse geschiedenis. Alleen al daarom dienen we zijn dood met gepaste eerbied te herdenken.

Jos de Mul is filosoof. Hij schreef Paniek in de polder. Polytiek en populisme in Nederland. Zoetermeer: Klement, 2011. Dit is een bewerkte versie van de Rotterdam Lezing, die hij gisteravond uitsprak.