'Dit stuk is een lange tunnel van duisternis'

Voordat ze overstapt naar Toneelgroep Amsterdam, regisseert Susanne Kennedy haar tweede Ibsen bij het Nationale Toneel. „Ik wilde weg van de ironie, juist eens het pathos opzoeken. En iets monumentaals neerzetten.”

De jongen is te groot voor zijn hobbelpaard. Ineengedoken, met de knieën hoog opgetrokken, schommelt hij, langzaam, aan één stuk door. Het monotone krassende geluid is versterkt: kgg, krrr, kgg, krrr... Zijn moeder, het lange zwarte heksenhaar slordig langs haar gezicht, armen slap naast het lichaam, volgt de beweging met haar hoofd: links, rechts. Geen spoor van tederheid. In plaats daarvan zegt ze toonloos: „Maar wat als Eyolf nu nooit was geboren?”

Susanne Kennedy regisseert bij het Nationale Toneel en NTGent Henrik Ibsens Kleine Eyolf (1894), het drama over de moeder die haar gehandicapte kind dood wenst, en tot haar afgrijzen precies krijgt wat ze wil. En reken maar dat dat bij Kennedy griezelig zal zijn. Kleine Eyolfis haar laatste productie bij het Nationale Toneel, hierna gaat Kennedy naar Toneelgroep Amsterdam. Na haar hardvochtige bewerking van Hedda Gabler is dit haar tweede Ibsen-regie. Ze voelt zich thuis bij dat repertoire. „De zombies die Ibsen heeft gecreëerd, blijken toch steeds weer relevant.”

Zombies?

„Ja, de mensen waar het over gaat zijn natuurlijk al heel lang dood, dat heb je met al die klassieke stukken. En toch ademt Ibsens werk een modern gevoel. Hedda Gabler is een herkenbare, eigentijdse vrouw. En het dilemma van de ouders van Eyolf is ook heel erg van deze tijd. Zelfverwerkelijking staat voorop, en daar past een onvolmaakt kind niet bij.”

Na haar vorige voorstelling, De bittere tranen van Petra von Kant, die over het glanzende vernis van de modewereld ging, over de buitenkant dus, had Kennedy nu zin om af te dalen in de krochten van dit donkere Ibsen-stuk, zegt ze. Koos ze in eerdere voorstellingen vaak voor de ironie, daar wilde ze nu van wegblijven. „Dit keer wilde ik juist het pathos opzoeken, iets monumentaals neerzetten. Deze voorstelling moet voelen alsof je een tunnel van duisternis in gaat.”

Kleine Eyolf koos ze omdat ze gefascineerd was door de moederfiguur, Rita. „Zij is een vrouw die haar kind niet wil. Dat is volgens mij een van de laatste grote taboes, een moeder die zegt: ik zou haast kunnen wensen dat hij sterft.” Bij Ibsen is kleine Eyolf fysiek gehandicapt; hij is kreupel omdat hij in een onbewaakt ogenblik van tafel viel. Kennedy pleegt een radicale ingreep, zowel inhoudelijk als qua vorm, door hem te laten spelen door een verstandelijk gehandicapte acteur, Frans Meere.

„Die keuze geeft de thematiek een extra dimensie. Wie van tevoren weet dat hij een geestelijk gehandicapt kind krijgt, zal er misschien voor kiezen het niet te houden. Als Rita nu hardop vraagt: ‘wat als hij nooit geboren was?’, krijgt dat dus een andere betekenis. Bij Ibsen is Eyolfs handicap de schuld van zijn ouders, dat blijft bij mij in het midden. Konden ze het voorkomen? Hebben ze een keus gehad? In elk geval is de situatie zichtbaar heel moeilijk voor ze.”

Kennedy wilde ook met Meere werken omdat ze een tussengebied wilde opzoeken „tussen echt en onecht”, zegt ze. „Ik wilde al langer werken met mensen die je normaal niet op het toneel ziet. Bij professionele acteurs zie ik vaak diezelfde mooie, gladde buitenkant. Bij een acteur weet je: hij speelt dit, dat is wat hij doet. Ik hoop dat Frans de toeschouwer meer in het hier en nu trekt, omdat je je steeds af moet vragen: is het spel of is hij zelf zo? Je gaat anders kijken.”

Tijdens een repetitie is te zien dat Kennedy de handeling opdeelt in korte scènes, die zich afspelen achter gaasdoek. Zo ontstaat een schimmige, onscherpe wereld, die opdoemt als een vage herinnering uit het verleden. Op het doek verschijnen tussendoor teksten uit Nietzsches Aldus sprak Zarathustra.

„In dat boek is Nietzsche heel erg bezig met de übermensch. God is dood, dus de mens moet zelf zijn eigen God zijn. Dat is sterk van toepassing op de postmoderne mens. Maar het heeft een ongelooflijke impasse gecreëerd. Dat zie je als zich een existentiële crisis voordoet. Je kind sterft, en wat rest je dan? Deze mensen dolen rond in het universum, en weten niet waar ze nog antwoorden of verlossing kunnen vinden.”

Binnen Ibsens oeuvre heeft Kleine Eyolf een uitzonderlijk optimistisch slot. Na de dood van haar zoon besluit Rita zich te ontfermen over de verwaarloosde kinderen die rondhangen bij een fjord. Zij lijkt daarmee een nieuwe levensbestemming te vinden, en dus verlossing. Haar man Alfred, van wie het leek of hij haar ging verlaten, blijft. Kennedy: „Het lijkt alsof Ibsen de dood van Eyolf toch zin heeft willen geven. Dat vind ik mooi aan dit stuk. Zo wordt Eyolfs dood een offer, en hijzelf een soort Christusfiguur.” Het is bijna een sprookjeseinde, erkent Kennedy. „Ik kies ervoor dat nu eens serieus te nemen – zonder er meteen een Hollywood-einde van te maken. Een echt happy end bestaat natuurlijk niet, maar het toneelstuk stopt daar wel. Dus in feite is dit mijn eerste happy end, ja, haha. Omdat ik zelf graag wil geloven dat het kan.”

Kennedy’s werk leunt sterk op beeldende kunst en film. Dit keer liet ze zich inspireren door het werk van Edvard Munch, en de film Antichrist van Lars von Trier. Kleine Eyolf kent weer de typische Kennedy-signatuur: artificieel spel, groteske pruiken, griezelige grime. Haar werk is heel vormvast. Acteurs moeten opereren in een strak stramien, lekker vrij spelen is er niet bij. Daarom veroorzaakte haar aangekondigde overstap naar Toneelgroep Amsterdam hier en daar verbazing: dat ensemble blinkt juist uit in naturel spel. Zal Kennedy daar haar stijl kunnen handhaven? Het zal soms lastig zijn de acteurs over te halen, denkt ze. „Maar ik had zin in een uitdaging. Ik wil mensen verleiden om in mijn universum mee te gaan.”

„Ik probeer altijd duidelijk over te brengen naar welke sfeer ik zoek, en acteurs daarvoor te fascineren. Dan kijk ik hoe we gezamenlijk dat gevoel kunnen overbrengen. Daar hoort muziek, kostuum en grime bij, en een bepaalde manier van spreken en bewegen. Het conventionele naturalistische spel past daar niet bij.”

Ze verheugt zich op de TA-acteurs, op mensen als Eelco Smits en Frida Pittoors. Maar ze kan zich ook voorstellen dat die haar rigide concept spannend zullen vinden. „Ik hoop dat sommigen Kleine Eyolf komen zien, en dan besluiten: hier wil ik aan meedoen. Voor zover het kan, zou ik mijn acteurs zo willen uitzoeken binnen dat ensemble. Het zou fijn zijn om vooraf een ‘ja’ te horen.”

Kleine Eyolf, première 3/5. Tournee t/m 10/6. Inl. nationaletoneel.nl