De verdachten en de foto's

Wie vroeger weleens een politiebureau bezocht, kon daar op een muur of een mededelingenbord foto’s of tekeningen ontdekken van personen wier opsporing door het bevoegd gezag werd verzocht. Beloning voor de gouden tip: een paar honderd gulden.

Tegenwoordig hanteert het Openbaar Ministerie (OM) middelen die principieel hetzelfde zijn, maar een aanzienlijk grotere reikwijdte hebben: televisie en internet. Burgers wordt massaal gevraagd de politie te helpen bij het achterhalen van voortvluchtige criminelen of verdachten. Van hen worden foto’s getoond en de personalia onthuld. Onmiskenbaar wordt zo hun privacy geschonden en, betreurenswaardiger, die van hun familieleden. Zeker als het nog maar om verdachten gaat, is dat een reden voor terughoudendheid met de inschakeling van de massamedia.

Van twee Haagse jongemannen, beiden 19 jaar oud, werden afgelopen week op tv foto’s getoond in zendtijd die het OM tot zijn beschikking heeft en in diverse nieuwsprogramma’s. Ook werden hun namen vermeld. Zij werden en worden er ernstig van verdacht de daders te zijn van een gewelddadige overval op een juwelier in Den Haag, die daarbij om het leven kwam. De verdenking was zo zwaar doordat de overval met een beveiligingscamera was gefilmd.

Beiden zijn inmiddels gearresteerd; de ‘schandpaal’ is effectief geweest. Discussie is nochtans ontstaan over de vraag of de luidkeelse wijze waarop het OM om opsporing verzocht, proportioneel was en de belangenafweging die daaraan vooraf hoort te gaan, uitgebalanceerd is geweest. Volgens de richtlijnen waaraan het OM zich dient te houden, moet het in het geval van geïdentificeerde verdachten gaan om de verdenking van een ernstig misdrijf, zoals geweldsmisdrijven waarop een straf van ten minste acht jaar staat. Ook moet er een reële kans zijn dat de verdachte nog eens een dergelijk misdrijf pleegt. Het heeft er alle schijn van dat beide criteria voor deze Hagenaars toepasbaar waren. Dan is er nog de voorwaarde dat andere opsporingsmiddelen weinig kans op snelle aanhouding lijken te bieden. In deze kwestie heeft het OM aangevoerd dat een week speurwerk van veertig rechercheurs zonder het gewenste resultaat is gebleven.

De rechter zal later beoordelen of het OM de juiste middelen heeft ingezet; het Wetboek van Strafvordering biedt hem de mogelijkheid daarmee zonodig rekening te houden. Maar gelet op de eigen criteria en ook op de maatschappelijke schok die de roofoverval en de dood van de juwelier teweeg heeft gebracht, een schok die nog natrilt, is het logisch en terecht dat het OM in deze situatie de massamedia heeft gebruikt om de twee verdachten te vinden. Privacy van verdachten en familieleden horen zwaar te wegen; maar er zijn gebeurtenissen waarbij de belangen van slachtoffers en maatschappij veel meer gewicht in de schaal leggen.