De Bovenbazen

Nahum Grind trok schouderophalend een pakje papieren uit zijn zak en stak het uitnodigend naar voren.

‘Doe niet zo flauw,’ sprak hij. ‘Hier heb je de Plof Motoren. Geef mij nu een kwart van je petroleum, dan kunnen we lol hebben.’

Amos W. Steinhacker legde zuchtend zijn sigaar neer. ‘Welke lol?’ vroeg hij mat.

‘Nou,’ hernam de ander, ‘dan kunnen we samen wat aan de naaimachines doen en dan zal je am zien kijken!’

De heer Steinhacker gehoorzaamde met tegenzin. Het was duidelijk dat zijn hart niet bij de zaak was.

‘Ik weet niet wat het is,’ prevelde hij, ‘maar ik zie er geen pret in. Er moest maar eens iets gebeuren!’

‘Gebeuren?’ riep de heer Grind uit. ‘Schei toch uit, aws! Gebeuren is gevaarlijk. Wij kunnen alleen maar verliezen, als er iets gebeurt!’

‘Ik weet het niet,’ mompelde de oliekoning stil voor zich heen. ‘We zijn maar met zijn negenen. Waarom worden we de Bovenste Tien genoemd? Er kan er nog best eentje bij. Dat zou leven in de brouwerij brengen.’

Nahum Grind fronste de wenkbrauwen. Het was duidelijk dat deze opmerking hem aan het denken zette.

‘Zo heb ik het nog niet bekeken,’ sprak hij. ‘Er kan er nog eentje bij. Maar wie is dat? Heb je iemand op het oog aws?’

De aangesprokene stond op en begaf zich in de richting van een belendend vertrek.

‘Kom maar eens mee,’ zei hij. ‘Er is een lampje in mijn controlekamer dat raar doet.’