Burgerlijke ongehoorzaamheid

Op de Berlin Biennale is kunst geen statussymbool voor de rijken. Curatoren togen naar brandhaarden en selecteerden geëngageerd of zelfs activistisch werk.

De installatie ‘Draftsmen’s congress’ van Pawel Althamer in de St. Elisabeth-Kirche Foto Marta Gornicka

Zo’n 750.000 Palestijnen, afkomstig uit meer dan vierhonderd Arabische dorpen, waren tijdens de Arabisch-Israëlische Oorlog in 1948 gedwongen huis en haard achter te laten. Velen van hen namen hun huissleutel mee, ervan overtuigd dat zij spoedig weer huiswaarts zouden keren. Maar van een terugkeer naar het thuisland kwam het nooit meer, en dus werden al die sleutels in de afgelopen decennia van generatie op generatie overgedragen, als symbool van hoop op een onafhankelijk Palestina.

In 2008 besloten de inwoners van het Palestijnse vluchtelingenkamp Aida, gelegen op twee kilometer ten noorden van Betlehem, om het symbool van de sleutel te gebruiken voor de zestigjarige herdenking van wat zij Al Nakba (de catastrofe) noemen. Bovenop de twaalf meter hoge entreepoort van het kamp plaatsten ze een negen meter lange en bijna twee ton wegende sleutel: de zogenaamde Key of Return. Volgens de bewoners is het de grootste sleutel ter wereld. Er zijn pogingen gaande het object in het Guinness Book of Records vermeld te krijgen.

Diezelfde megasleutel ligt nu pontificaal op een voetstuk op de binnenplaats van Kunst-Werke, de hoofdlocatie van de deze week geopende Berlin Biennale. Hij is voor de duur van de expositie uitgeleend en zal de komende maanden fungeren als een tijdelijk monument dat aandacht vraagt voor het lot van de Palestijnen. ‘Not for sale’, schreven de vluchtelingen in dikke rode letters op de sleutel, om aan te geven dat hun recht op terugkeer niet iets is wat afgekocht kan worden of onderhandelbaar is. Hier, in deze kunstcontext, hebben die woorden opeens een dubbele betekenis gekregen. Want ook als kunstobject is de sleutel niet te koop.

Dat de Berlijnse Biënnale juist met deze door amateurs gemaakte Palestijnse sleutel van start gaat, is een duidelijk statement. Op deze biënnale gaat het nadrukkelijk niet om de sterrenstatus van kunstenaars of om kunst als statussymbool. Veel van de deelnemers – onder hen kunstenaars maar ook actiegroepen en politici – zijn nog grote onbekenden in de kunstwereld. En de kunstenaars die wel beroemd zijn, zoals Pawel Althamer of Yael Bartana, bedachten bijdragen die al net zo onverhandelbaar zijn als de loodzware sleutel, omdat ze bijvoorbeeld de vorm hebben van een tekenworkshop (Althamer) of een congres voor Poolse joden (Bartana).

Vicieuze cirkel

De kunstwereld zit in een existentiële crisis, vindt Artur Zmijewski, de Poolse samensteller van de Berlin Biennale en volgens het blad Newsweek een van de tien belangrijkste kunstenaars van dit moment. Aan de ene kant worden er bergen aan sociaal-geëngageerde kunstwerken gemaakt, vol goede bedoelingen en mooie utopische ideeën waar nooit iets van terechtkomt – „een vicieuze cirkel van creatieve impotentie”, aldus Zmijewski. Aan de andere kant is kunst steeds meer een luxegoed geworden, een speeltje voor de rijken, waar op beurzen en veilingen bizar hoge prijzen voor worden betaald – bedragen waar kunstenaars zelf overigens maar weinig van terugzien. Volgens Zmijewski zou je kunstenaars daarom net zo goed ‘financiële dissidenten’ kunnen noemen. „Feitelijk vormen zij het artistieke proletariaat.”

In de catalogus van de Berlin Biennale merkt Artur Zmijewski op dat met de toenemende marktwerking in de kunstwereld er steeds minder ruimte is voor kritische geluiden. „Instellingen zijn in toenemende mate slachtoffer van de eisen van de neoliberale spektakeleconomie”, aldus de Poolse kunstenaar. „Het onconventionele, het opiniërende, het radicale en het obsessieve zijn vervangen door het calculerende, het marktconforme, de korte termijn en het businessplan.” In Nederland noemen we dat cultureel ondernemerschap. Topkunst wordt nog wel door de overheid ondersteund. Maar kleinere presentatie-instellingen, van oudsher de plek voor de meer experimentele, radicale en kritische kunstuitingen, staan hevig onder druk.

Artur Zmijewski is er stellig over: „De bezuinigingen in de cultuursector in Europese landen zijn een bewijs dat politici een minder ontwikkelde maatschappij prefereren, die makkelijker te beheersen is.” In zijn inleiding in de catalogus noemt hij Nederland als specifiek voorbeeld. „De protofascistische leider van de PVV heeft geen boodschap aan kunst en eist dat er gehakt wordt in de subsidies.” In zo’n situatie, vindt hij, is het niet voldoende wanneer kunst slechts vecht om haar positie te houden. Het wordt tijd dat kunstenaars eens echt boos worden. Het is tijd voor actie.

Om zijn woorden kracht bij te zetten, nam Zmijewski een aantal radicale maatregelen. Hij maakte, voor het eerst in de geschiedenis van de biënnale, de toegang gratis en de tentoonstelling dus zo laagdrempelig mogelijk. Hij vroeg alle deelnemende kunstenaars om hun politieke overtuiging kenbaar te maken. En hij nodigde als co-curator het Russische kunstenaarscollectief Voina (‘oorlog’) uit, berucht om zijn guerrilla-achtige acties die gericht zijn tegen de Russische overheid. De kunst van Voina heeft de gedaante van rellen of demonstraties. De leden protesteren door middel van het omver gooien van politie-auto’s of het in brand steken van arrestantenwagens. Ze wijzen het gebruik van geld af en hebben geen vaste verblijfplaats. Hun motto: „De kunstenaar die niet politiek geëngageerd is, is slechts een ontwerper.”

Ter voorbereiding van deze biënnale reisden de curatoren niet naar kunstcentra als Londen of Parijs, maar gingen ze in brandhaarden als Tunesië en Egypte op zoek naar „vormen van burgerlijke ongehoorzaamheid”. Ze spraken in Kairo met het filmcollectief Mosireen, dat beelden in omloop brengt van protesten en politiegeweld in Egypte. In Brazilië ontmoetten ze de makers van de ‘Pixadores’, een specifieke stijl van graffiti die in alle straten van São Paulo te vinden is, en die in een soort runenschrift de eisen van de lagere klassen verwoordt.

Berken uit Birkenau

De kunstwerken op deze biënnale komen dus voort uit het echte leven. Ze zijn gemaakt door demonstranten, door anarchisten, door amateurs. In de grote expositieruimte van Kunst-Werke hebben diverse takken van de Occupy-beweging onderdak gekregen en wordt er naar hartenlust gediscussieerd over onderwerpen als de voedselcrisis of de globalisering. De bovenste etage van het gebouw oogt als een wietzolder, met rijen stekjes onder felle lampen. Ze zijn afkomstig van jonge berken die de Poolse kunstenaar Lukasz Surowiec uit de omgeving van concentratiekamp Birkenau heeft gehaald en die hij de komende weken op diverse plekken in Berlijn zal planten – als een levende herinnering aan de verschrikkingen van Auschwitz. Wie belooft goed voor de boompjes te zorgen, mag zelf ook een stekje mee naar huis nemen.

Aan de gevel van Kunst-Werke hangt een reusachtig billboard van telecombedrijf Mobinil. Ook die maakt als kunstwerk deel uit van de biënnale – je zou het een readymade kunnen noemen. Mobinil was, naast Vodafone en Etisalat, een van de telecombedrijven die op 25 januari 2011 gehoor gaf aan de oproep van de Egyptische overheid om het mobiele netwerk plat te leggen. Zo hoopte het militaire regime te voorkomen dat demonstranten zich konden mobiliseren. Hoe wrang is het dus dat Mobinil met zijn huidige reclamecampagne inspeelt op de strijd voor democratie door foto’s van demonstranten te gebruiken, vergezeld van quotes van bekende politici. „De bevolking van Egypte verdient de Nobelprijs voor de vrede”, zijn de woorden die Mobinil nu van de daken schreeuwt. Revolutie is mooi, zolang er maar iets aan te verdienen valt.

Is het kunst, kun je je afvragen? En doet dat ertoe? Deze biënnale is hoe dan ook een dappere poging de kunstwereld in beweging te brengen en een verademing vergeleken bij de gelikte of navelstaarderige kunstobjecten die je op veel andere biënnales of kunstbeurzen treft. In Berlijn hebben de meeste bijdragen de vorm van een proces, een work-in-progress. Zo worden er historische rondleidingen door de stad gegeven door anti-fascisten en zijn er re-enactments van historische veldslagen waar iedereen aan mee kan doen. Want, zegt Zmijewski, „een kunstobject alleen kan geen politieke verandering teweegbrengen”.

Gentrificatie

Het is een klein wonder dat de gemeente Berlijn deze behoorlijk provocerende en activistische biënnale – de term ‘linkse hobby’ is hier nu eens echt op zijn plaats – ook dit jaar weer gesteund heeft met een bedrag van 2,5 miljoen euro. Het stadsbestuur zal beseffen dat de biënnale in de afgelopen jaren veel heeft bijgedragen aan het bruisende kunstklimaat in de stad. Het gebied rondom de Auguststrasse in de Berlijnse wijk Mitte is in korte tijd uitgegroeid tot hippe galeriewijk, vol leuke designwinkels en eettentjes. Gentrificatie, noemen stadsontwikkelaars dat. Want dat is het paradoxale van deze ontwikkeling: met al hun activistische ideeën tegen het kapitalisme en de markteconomie hebben kunstenaars alleen al door hun aanwezigheid gezorgd voor waardeverhoging van het onroerend goed op de plekken waar zij neerstrijken.

De Nederlandse kunstenaar Renzo Martens verwoordt het mooi in zijn bijdrage aan de catalogus. „Het stadsbestuur van Berlijn subsidieert de biënnale niet omdat het hoopt dat de kunst mooie sociale ideeën voortbrengt”, schrijft hij. „Ze geven geld omdat de biënnale de stad op de kaart zet, en interessante mensen trekt. Kunstenaars worden uitgenodigd omdat die kunnen bijdragen aan het aantrekken van kapitaal.”

Zelf is Martens daarom van plan een vijfjarig ‘Gentrificatie Programma’ te ontwikkelen voor een gebied aan de Congo-rivier, 800 kilometer stroomopwaarts van Kinshasa. Want wat in de New Yorkse wijk Chelsea en in het Berlijnse Mitte is gelukt moet toch ook in Afrika kunnen? Als onderdeel van de Berlin Biennale bouwde hij er een kampement van bamboe, waar hij in juni westerse kunstbobo’s zal uitnodigen voor een seminar. Er komt een residency voor kunstenaars. En het zal dan een kwestie van tijd zijn, aldus Martens, totdat ook de lokale bevolking zal profiteren van de toegevoegde waarde van zijn kunstprogramma.

Of deze biënnale er werkelijk in slaagt om de kunst de echte wereld in te brengen, en of de kritische gedachten die hier geformuleerd worden ook echt een weg weten te vinden naar het grote publiek, dat zullen de komende weken moeten uitwijzen. De meest omstreden projecten, zoals het terroristencongres van de Nederlandse kunstenaar Jonas Staal, moeten nog plaatsvinden. Het kan goed zijn dat Zmijewski en zijn sociaal-bevlogen bondgenoten na afloop worden afgerekend op hun naïviteit. Want eigenlijk is nu al te voorspellen dat deze biënnale heus geen verandering teweeg zal brengen in Kairo, São Paulo of Kinshasa.

Aan de andere kant: waarom zou een kunstproject als dit concrete resultaten moeten opleveren? Is het niet mooi genoeg om van een betere toekomst te dromen? „Kunst opereert in een vrije zone, waarin alles mogelijk is, juist omdat er geen consequenties zijn”, zegt Renzo Martens in de catalogus. „Als kunst een wapen van de revolutie zou zijn, was het allang verboden.”

Forget Fear. De 7de Berlin Biennale. T/m 1 juli op diverse locaties in Berlijn. Inl: berlinbiennale.de