Berliner Luft

Soms glimlachen bij een boek over Auschwitz, dat was mij nog niet eerder overkomen. Het was te danken aan Szymon Laks (1901-1983), een Pools-Joodse componist, die in vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau kapelmeester was. Hij schreef er een interessant boek over, Kapelmeester van Auschwitz, dat in Nederland vrijwel onopgemerkt bleef.

In 1991 kwam het in de vertaling van Jos den Bekker eerst uit bij de Belgische uitgever Kritak; het moest verramsjt worden. Vorig jaar verscheen een herdruk bij de kleine Friese uitgeverij Elikser, waar het nog steeds te krijgen is. In de vloed van oorlogsboeken viel het opnieuw te weinig op. Spijtig, want Laks heeft Auschwitz beschreven vanuit een bijzonder perspectief: dat van de min of meer geprivilegieerde gevangene. Zijn talent als musicus stelde hem daartoe in staat.

Hoe was dat leven? Wat maakten de musici tijdens hun optredens mee? Hoe kregen ze een plaats in zo’n orkest? Wat mochten ze wel en niet spelen? Wat gebeurde er allemaal achter hún schermen?

Laks behandelt al die aspecten op een manier die ik nog niet eerder had gelezen. De Nederlandse muzikant Lex van Weren schreef er ook verdienstelijk over in zijn Trompettist in Auschwitz, maar zijn verslag had een meer particulier karakter en hij kwam ook pas in de herfst van 1944 in zo’n orkest in Auschwitz (het basiskamp) terecht.

Glimlachen, ja. Laks heeft gevoel voor de wrange anekdote die de helle waanzin van zo’n kamp minstens zo schrijnend demonstreert als de verhalen over de gruwelen.

Neem het verhaal over de ‘Berliner Luft’, een populaire militaire mars in Duitsland. De Duitse commandant gaf opdracht dit muziekstuk in het repertoire op te nemen. In enkele dagen arrangeerde en kopieerde Laks met een assistent de partijen.

„Door een ongelukkige speling van het lot”, schrijft Laks, „speelden we net ‘Berliner Luft’ voor de eerste keer […] precies op het moment dat het Sonderkommando op weg naar de poort ons podium passeerde.”

Zo’n Sonderkommando, belast met het verwerken van de vergaste lichamen, verspreidde altijd een verstikkende lijkenlucht. Het orkest was hieraan gewend en speelde door, maar de SS’ers op de wachttoren vertrouwden het niet en riepen de kapelmeester – toen nog de gehate Poolse kapo Franz Kopka – ter verantwoording.

Laks schrijft: „Een kwartier later kwam de Kapellmeister terug, zo wit als een doek, wankelend op zijn benen, beide handen tegen zijn billen gedrukt. Hij had vijfentwintig stokslagen gekregen. De kampleiding geloofde niet in de toevalligheid van die twee ‘luchten’ en beschuldigde hem van bespotting van de hoofdstad van het Derde Rijk.”

Laks laat het niet bij dergelijke anekdotes, hij gaat ook ernstig in op een essentiële vraag als: waarom wilden de Duitsers die orkesten eigenlijk? Niet om dodenmarsen te spelen, corrigeert Laks met nadruk een wijdverbreid misverstand aan het thuisfront. Integendeel, ze moesten juist levendige, vrolijke stukken spelen „om de werkzin en de levensvreugde te verhogen uit naam van het kampmotto Arbeit macht frei”.

Hij ergert zich zeer aan beweringen – ook van enkele beroepsmusici in Auschwitz – dat de gevangenen troost zouden hebben gevonden bij de muziek. „In ieder geval, ik heb nooit, niet één keer, een gevangene ontmoet wie de muziek goed had gedaan en die er de moed door had gekregen verder te leven. Het motto van de uitgehongerden was: eten, eten, eten…”