Wielrennen is spirituele amfetamine

Samen met zijn zoon schreef oud-premier en Tourvolger Dries van Agt het wielerboek Op weg naar Alpe d’Huez. De liefde voor de racefiets dateert al van z’n gymnasiumtijd. „Pijn is genot, schreef Jan Siebelink. Ik onderschrijf het.”

Dries van Agt loopt de studeerkamer in. „Zo, zo, makker.” Hij geeft een hand. „Ik ben snotverkouden en doodmoe, maar verder behoorlijk goed gezond. Mijn faxapparaat maakt het slechter dan ik.” Hij wijst naar onderdelen van een faxmachine op zijn bureau.

Echtgenote Eugenie had mij binnengelaten. Bijna veertig jaar geleden, toen Van Agt eerst minister van Justitie was en later premier, hadden ze een weekendhuwelijk. Doordeweeks zat hij in Den Haag, zij woonde in Nijmegen. Hij pakte de fiets als ‘het slagveld’ Den Haag hem te veel werd. Zij voedde de kinderen op, deed het huishouden en ontfermde zich over achterstallig huisonderhoud.

Van Agt pakt een sigaar achter zijn bureau. „Om op te zuigen, ik proef er nu niets van.” Hij gaat zitten, vouwt z’n handen in de schoot. „Zuigen geeft de illusie van roken.” Hij is, als altijd, onberispelijk gekleed: donkerblauwe pantalon, lichtblauw overhemd, grijsblauwe colbert. Zwarte stropdas met schuine witte strepen, type begrafenisondernemer. Hij oogt afgetraind: „Net geen 65 kilo schoon aan de haak. Maar ik eet niet veel. Bijna nooit zoetigheid.”

De zelfverklaarde ‘krasse knar’ is de tachtig gepasseerd. „Averij aan het oude lijf.” Eind vorig jaar schoot zijn linkerheup uit de kom. Hij was eerder aan geopereerd, en had er geen omkijken meer naar. Tot nu, ineens drie keer uit de kom. Hij is er voor behandeld. „Een ramp”, zegt hij luid.

Vanwege „materiaalpech” aan zijn lichaam kan hij niet meedoen aan de voorgenomen beklimming van de Alpe d’Huez, in een groepje met onder meer zoon Frans en twee kleinkinderen. Voor het goede doel, de bestrijding van kanker, de „veelkoppige draak” die zijn vader en schoonzoon te grazen heeft genomen. „Ik zou de oudste deelnemer ooit zijn geweest, het record staat nu op 79”, zegt de 81-jarige Van Agt. „Ik ben ijdel genoeg om u dat te vertellen. Mijn fiets stond al klaar, op maat gemaakt in de Gazellefabriek.” Van Agt gaat wel mee, maar in de volgwagen.

Geen oud-premier is zo bedreven in het vleien als Andreas Antonius Maria van Agt. Bij hem thuis in Nijmegen ben ik behalve makker ook vrind, geestverwant (vanwege het fietsen) en meesterlijk op de fiets (hoewel hij mij nooit heeft zien rijden). Een keer springt hij op, hij ziet een bonte specht. „Zeldzaam geworden, de biodiversiteit is aanmerkelijk gedaald.”

De auto is voor hem een gebruiksmiddel. Nee, dan de fiets. „Een kameraad, een metgezel.” Hij kon als politicus amper lange tochten maken. „Twee uur in het weekend was al veel. Ik hoorde tot de ongelukkigen in het ambt die vrijdagavond met grote gevulde aktetassen thuis kwamen.” Gelukkig woonde hij vlak bij de grens met Duitsland. „Daar kon ik in volledige vrijheid en anonimiteit exerceren. Ik was er volstrekt incognito.” Hij is even stil. Dan, enthousiast: „In België was het totaal anders. In het Vlaamse land – ik poch daarover niet – werd ik vaak herkend.” Vlaanderen! Er verschijnt een gelukzalige blik. En niet alleen om het fietsen. „De Vlaamse televisie is van hogere kwaliteit dan de Nederlandse. Onlangs heb ik mij verstout, bij een voordracht in Gent, kritiek te uiten op onze vermeende gevoelens van superioriteit. Met het oog op onze begrotingen heb ik gezegd: ‘Misschien is het goed ‘neerzien op’ te veranderen in ‘opzien naar’.”

De liefde voor het fietsen is ontstaan tijdens tochten van zijn woonplaats Geldrop naar het gymnasium in Eindhoven. Eerst, vanwege de oorlog, op een fiets met houten banden, later met lucht in de wielen. „De afstand naar school was zes kilometer. Niet indrukwekkend. Maar het werd vanwege de competitie met schoolgenoten één lange sprint. Heen en terug, soms in de middag nogmaals. Zelfs in grotere groepen won ik, of bijna.”

Hij vervolgt: „Het vreemde is, als scholier was ik niet goed in klimmen. Ik vond het ook helemaal niet leuk, vaak gaat dat samen. De genegenheid daarvoor is pas veel later gekomen, nadat ik na een kwart eeuw zonder fietsen en zelfs zonder fiets in huis weer ben begonnen.” Dat was te danken aan een beveiligingsagent, die hem tijdens zijn ministerschap enthousiast maakte voor toertochten.

Hij was 46 toen hij de draad oppakte, ging op de duursport over en de hoogte in. „Pijn is genot. Dat heeft Jan Siebelink geschreven, ik onderschrijf het. Hoe steiler de berg, hoe langer de weg naar de top, des te groter de gelukzaligheid als je die top hebt bereikt.” Hij spreidt zijn armen. Praat daarna over de Mont Ventoux. „Het genot op de top. Ik viel in de armen van Vlaamse toeristen. Zij herkenden mij, een omhelzing volgde. Ik werd als ere-Belg onthaald.”

Van Agt was een voortrekker met zijn bezoekjes aan de Tour de France. Een dag reed hij mee in de karavaan en hij was te gast bij de legendarische ploegleider Peter Post. In het net verschenen boek Op weg naar Alpe d’Huez schrijft hij waarom. „Het premierschap was een unieke kans in de auto te mogen stappen bij de beste ploegleider die Nederland heeft gekend”, zegt hij nu. „De autoriteit die hij uitstraalde. Ik heb meegemaakt dat Post na een verloren etappe de grote mannen van zijn ploeg nog net niet verbaal ranselde. Dat waren Jan Raas, Gerrie Knetemann, Joop Zoetemelk en Hennie Kuiper, uit de glorietijd van het Nederlandse wielrennen.

„Na mij kregen politici in de smiezen dat een bezoekje aan de Tour electoraal profijtelijk is. Maar ik was echt geïnteresseerd in fietsen. Ik heb daar nog een prijs voor gekregen van de Koninklijke Nederlandse Wieler Unie. Daarbij werd gezegd: Vóór u was wielrennen alleen een volkssport. U heeft de sport honorabel gemaakt voor artsen, rechters, zelfs captains of industry.”

We nemen een kijkje bij zijn fietsen. Aan de telefoon zei hij drie fietsen te hebben. Er staan er vijf, een van zoon Frans die ooit een beloftevolle amateur was. Fietsen, schrijft hij in het boek, „is spirituele amfetamine”.

„Je kunt die uitspraak op twee niveaus zien. Om simpel te beginnen: iedereen die verzuipt in z’n werk, die de kooi mag uitvliegen, die zoals ik als premier kon ontsnappen aan de knellende dictatuur van zijn bewakers, heeft er baat bij. Met betrekking tot wielrennen komt daar een dimensie bij. In het bergland kun je de mens observeren in zijn volharding. Volhouden. Niet opgeven. Doorrijden. Door de pijn heen. Als je dat ziet denk je: ‘Zeur nou niet over je eigen problemen. Neem hieraan een voorbeeld.”

Dries van Agt & Frans van Agt, Op weg naar Alpe d’Huez. Wielerverhalen. 12,90 euro. De opbrengst gaat naar het goede doel Alpe d’Huzes.