Wie haat nu eigenlijk de Arabische vrouw?

Een storm van protest is gevolgd op een artikel van de opiniemaakster Mona Eltahawy over de slechte positie van de vrouw in de Arabische wereld.

Als het Mona Eltahawy’s bedoeling was om een debat uit te lokken over de positie van de vrouw in de Arabische wereld, dan is ze in haar opzet geslaagd. Eltahaway is een bekende Egyptisch-Amerikaanse opiniemaakster. Haar stuk in het mei/juninummer van Foreign Policy – ‘Waarom haten ze ons?’ – lokte zoveel, veelal negatieve reacties uit dat het Amerikaanse tijdschrift zich genoodzaakt zag zes prominenten uit de Arabische wereld – vier vrouwen en twee mannen – een repliek te laten schrijven. Maar nog veel meer vrouwen reageerden op hun eigen blogs op Eltahawy.

Een deel van de kritiek ging over de bizarre illustraties bij het stuk: studiofoto’s van een zwoele, naakte, Arabisch ogende dame op wier lichaam een niqaab, de gezichtssluier, is geschilderd. „Het beeld doet precies datgene waarvan Eltahawy de moslimfundamentalisten beschuldigt: het herleidt de vrouw tot een eendimensionele karikatuur met weinig of geen autonomie”, schrijft Naheed Mustafa, een Canadese moslimvrouw, op de site van Foreign Policy.

Maar de meeste boze reacties gingen over de titel, en over Eltahawy’s gebruik van ‘ons’.

„De eerste persoon meervoud wordt gebruikt wanneer iemand aangewezen is om te spreken voor de groep waartoe hij of zij behoort”, schrijft de Marokaans-Amerikaanse Samia Errazoukki. „In dit geval zijn ‘ze’ de Arabische samenlevingen, en ‘ons’ de Arabische vrouwen. Ik heb er geen probleem mee dat Eltahawy voor haar mening uitkomt, maar dat ze dat doet in naam van alle Arabische vrouwen is aanstootgevend.”

Vorig jaar was Eltahawy in het nieuws toen ze aangerand werd door de Egyptische veiligheidsdiensten nadat ze was gearresteerd nabij het Tahrirplein. Ze staat bekend als een vurige bepleiter van de vrouwenrechten, die soms onpopulaire standpunten inneemt. Zo verdedigt zij het Franse verbod op de gezichtssluier.

De klachten die Eltahawy opsomt, zijn niet nieuw: genitale verminking in Egypte, kindbruidjes in Jemen, rijverbod in Saoedi-Arabië, het lastigvallen van vrouwen bijna overal, de maagdelijkheidstesten waaraan vrouwelijke activisten op het Tahrirplein werden onderworpen. „Noem mij een Arabisch land en ik kan u een litanie van misbruiken citeren die allemaal gevoed worden door een giftige mix van cultuur en religie waartegen bijna niemand wil of kan protesteren uit angst beschuldigd te worden van godslastering of aanstoot te geven.”

De ‘Arabische Lente’ heeft niets veranderd, stelt Eltahawy. „Het is veel, veel erger. Zelfs na deze ‘revoluties’ lijkt het alsof alles goed is in de wereld zolang de vrouwen zich maar bedekken, thuisblijven, niet mogen autorijden, goedkeuring moeten vragen om te mogen reizen, en niet mogen trouwen of scheiden zonder het akkoord van een mannelijke voogd.”

Een antwoord op de vraag, Waarom haten ze ons?’, geeft Eltahawy niet echt. Ze reikt wel een soort oplossing aan.

„Laten we ophouden met doen alsof. Laten we de haat bij zijn naam noemen. Laten we vooral ophouden met al dat cultuurrelativisme. U – de buitenwereld – krijgt altijd te horen dat het aan onze ‘cultuur’ of onze ‘religie’ ligt. Weet dat het nooit de vrouwen zijn geweest die dat zo hebben gewild.”

Opvallend is dat de kritiek op haar artikel niet zozeer uit fundamentalistische hoek komt, maar juist van vrijgevochten Arabische vrouwen zoals Eltahawy zelf.

Onder de titel, ‘Mona: waarom haat jij ons zo?’, schrijft Gigi Ibrahim, een bekende Egyptische activiste: „Vrouwen worden onderdrukt door regimes, waarin mannen het voor het zeggen hebben, en door systemen die discrimineren op basis van klasse in plaats van geslacht.”

Eltahawy simplificeert, zegt Ibrahim. „Je kan niet uitleggen waarom vrouwen gediscrimineerd worden zonder rekening te houden met de historische, politieke en economische aspecten die in elk Arabisch land verschillend zijn.”

Ayesha Kazmi, die blogt als ‘AmericanPaki’, neemt aanstoot aan Eltahawy’s claim dat „de echte oorlog tegen vrouwen in het Midden-Oosten plaatsheeft”. „De oorlog tegen vrouwen is juist een wereldwijd fenomeen. Met haar stelling laat Eltahawy miljoenen niet-Arabische vrouwen, die evengoed slachtoffer zijn van systematische vrouwenhaat, aan hun lot over.”

De Amerikaans-Marokkaanse schrijfster Samia Errazoukki heeft een probleem met de manier waarop Eltahawy de vrouwen in de Arabische wereld voorstelt als een monolitisch blok. „Daarmee ontken je de rol die vrouwen hebben gespeeld tijdens de recente revoluties, waar zij samen met hun landgenoten verandering eisten en een eind aan elk soort onrecht. Deze vrouwen deden zich gelden als individuen en niet als zelfverklaarde vertegenwoordigers van de Arabische vrouwen.”

Ook mannen weren zich. Shadi Hamid, van de Amerikaanse denktank Brookings in Doha, wijst erop dat vrouwen in Egypte weliswaar in de frontlinies van de opstand stonden, maar vervolgens stemden voor partijen die niet in gelijkberechtiging geloven. „Arabische vrouwen oefenen wel degelijk hun morele en politieke macht uit, alleen niet noodzakelijkerwijs op de manier die we zouden verwachten.”

Niet iedereen is tegen Eltahawy. In Libanon schrijft Hanin Ghaddar dat vrouwen in de Arabische wereld zich te weinig bewust zijn van de macht die ze hebben. „Vrouwen zien zichzelf nog altijd als hulpeloze wezens die de bescherming van de mannen nodig hebben. Mona heeft gelijk: ze haten ons. Maar ze zijn ook bang voor ons. We moeten die angst in ons voordeel gebruiken.”