Weinig weten, alles voelen

Zonder pretenties gaf Marten Toonder een scherp en raak beeld van de worstelingen van Mens en Beer in Het Huidige Tijdsgewricht.

Laten we nou eens níét de vraag stellen of Marten Toonder een schrijver was en van belang voor De Literatuur. Laten we in plaats daarvan de vraag stellen of hij misschien niet de grootste schrijver was van de afgelopen honderd jaar. En laten we dan niet de afgezaagde argumenten herhalen: dat hij zoveel uitdrukkingen en woorden heeft bijgedragen aan de taal en... Want hoe treffend ze ook zijn –‘een groot denkraam’, ‘een eenvoudige doch voedzame maaltijd’, de grootgrutter, de zielknijper en de bovenbaas – als argument voor zijn grootsheid zijn ze even dun als sleets. Die Toonderismen worden vooral gebruikt door de Olivier B. Bommels van de politiek en het zakenleven. Onze demissionair minister van Veiligheid en Justitie is de eerste aan wie ik denk. Maar die was dan ook in een vorig leven burgervader van Rommeldam.

Toonder was een satiricus van de romantische soort, een man die met opgetrokken wenkbrauw en een twinkeling in zijn ogen keek naar de wereld en zijn verwondering of afkeuring niet liet ontsporen in een kolk van woede en gesneer, maar vormgaf in allegorieën die rechtstreeks in verband staan met onze middeleeuwse literatuur. Zonder Van den vos Reynaerde geen Toonder.

De geschiedenis van de beer Bommel is net als die van de intelligente vos geen gezellige niets-aan-de-handfabel maar een satirische allegorie. Maar waar de vos sluw is omdat hij wordt gehaat, kan de Bommel zich een vorm van goedbedoelende naïviteit veroorloven die hem toestaat uit de door hem ontstane puinhopen te stappen zonder daar al te veel van te leren. Dat wij, en vrijwel alle Rommeldammers, ondanks zijn vrijwel constante falen van hem houden komt omdat hij een heer wil zijn. En dat herkennen wij. Wij worstelen allemaal met de beer en de heer in ons en het eerste krijgt te vaak de overhand over het laatste.

Naïviteit is het sleutelbegrip in de Bommelverhalen. Het is de kern van Toonders denkraam. Uit de verhalen, maar ook uit Toonders autobiografische werk, stijgt het beeld op van een schrijver die niet zozeer naïef is, maar vindt dat naïviteit een prijzenswaardige levenshouding kan zijn. Dat is een on-literaire houding, want schrijvers gaan graag door voor mensen die het raadsel van Het Zijn zo niet doorgrond dan toch bijna bij de jaspanden hebben. Ik kan het weten. Ik ben er zelf één. Hoewel ik, om met de onsterfelijke woorden van Harry Mulisch te spreken, natuurlijk een gunstige uitzondering ben.

Net zoals Nederland sinds jaar en dag de verkeerde zangers en zangeressen afvaardigt naar het Songfestival, in de verwachting dat een mengeling van middelmaat en mode de grootste kans maakt op een treffer, hebben we misschien ook de verkeerde schrijvers voor de Nobelprijs voorgesteld. Vestdijk, Boon, Mulisch, het zijn grote namen en ik lees ze graag, maar waarom, in godsnaam, werd nooit de naam van Toonder genoemd? Omdat we ons schaamden en dachten dat ze ons een raar kinderlijk volkje zouden vinden, daar in Zweden?

Wat is er toch met ons gebeurd dat we geen raar kinderlijk volkje meer durven te zijn? Wat is er met onze naïviteit gebeurd en wanneer zijn wij de Rommeldammer in onszelf kwijtgeraakt?

Toonder had er een antwoord op geweten en hij zou dat antwoord hebben gegeven in de vorm van een Bommelverhaal. Zoals hij de hele na-oorlogse geschiedenis van Nederland en alle morele, ethische en maatschappelijke kwesties die daarbij horen als een uurwerk uit elkaar heeft gehaald en weer in Rommeldamse proporties in elkaar heeft gezet. Zonder pretenties van Hoge Kunst en Wijsbegeerte. Zonder zelfs maar een schijntje gelijkhebberigheid. Maar scherp en raak en, vooral, met liefde voor de worstelingen van Mens en Beer in Het Huidige Tijdsgewricht.

Je kunt zeggen wat je wilt van het unieke van de economische crisis die we nu doormaken, maar veel wordt overbodig als we ‘De bovenbazen’ lezen. Daar zit het allemaal in: het onbegrensde geloof in het economische alsof het een verzameling natuurwetten is, de rampzalige gevolgen als we ineens zien dat de keizer geen nieuwe kleren aanheeft en het vermoeden dat niemand eigenlijk echt weet wat hij doet, maar dat verhult met pseudo-wetenschappelijke theorieën en onbegrijpelijkheid die alleen slaafs (uit onbegrip) gevolgd kan worden of niet begrepen en dat brengt dan weer het hele imaginaire bouwwerk aan het wankelen. Hoe vreselijk is dit alles, zou Bommel zeggen.

Maar laat ik Toonder niet afschilderen als een maatschappijkritisch theoreticus. Hij is eerder iemand die, in de woorden van Remco Campert, ‘er niet veel van weet, maar er wel heel veel van voelt’. En dat voelen is belangrijk. Dat wordt te weinig gedaan, omdat we denken dat we alles weten en daardoor in van alles geloven.

Toonders voelen zit in de tekeningen, die nauwelijks op strips lijken, maar meer op 19de-eeuwse gravures en de schilderijen van de 17de-eeuwse italianisanten die hun gedroomde romantische landschappen uit het Zuiden haalden. Het zijn tekeningen die het sprookjesachtige en mythische van de tekst verbinden met een beeld van een wereld die zowel in tijd als plaats ver weg is en toch vreemd dichtbij. De wortels van Toonder reiken diep in de geschiedenis van literatuur en schilderkunst, terwijl de Bommelverhalen een urgentie en actualiteit hebben, nog steeds, die menige roman ontbeert.

Dat Toonders werk urgent en actueel blijft en niet, zoals het oeuvre van Vestdijk, is weggezonken in de de nevelen van de literatuurgeschiedenis, zegt iets over de grootsheid van de maker. Ik weet het niet zeker, maar ik voel dat heel fijn aan.

Marcel Möring