Verdachte gevaarlijk of zwaar delict: weg is de privacy

Foto’s en namen vrijgeven voor opsporing van mensen is een zwaar en betwist middel. Maar het is ook effectief. Justitie pakte er gisteren een verdachte van moord mee.

Politie en justitie hebben gisteren foto’s verspreid van de twee verdachten van de moord op de Haagse juwelier.

Hun foto’s, inclusief achternamen, besloegen vanmorgen van twee kranten de halve voorpagina. Maar toen die kranten vannacht naar de drukker gingen, was één van de twee verdachten van de moord op een Haagse juwelier al aangehouden. Deze Ziya B. en zijn medeverdachte Sandro G. worden ervan verdacht vorige week woensdag juwelier Stratmann te hebben neergeschoten bij een overval op zijn zaak.

Vrijdag gaven politie en justitie al camerabeelden vrij van de overval. De verdachten waren slecht herkenbaar in beeld, maar na tips werd hun identiteit toch vastgesteld. Tot hun aanhouding leidde het niet. Gistermiddag gaven politie en justitie daarom twee foto’s en de achternamen van de verdachten vrij. Dezelfde avond had het al effect.

Het bekendmaken van de volledige identiteit van een verdachte wordt gezien als een zwaar middel. Zeker op internet kunnen naam en foto eeuwig verbonden blijven aan een delict waarvan iemand op dat moment nog maar verdacht werd. Met het noemen van achternamen wordt bovendien niet alleen een verdachte aan de schandpaal genageld, maar ook zijn familie, soms zijn kinderen.

Maar het mág wel en het is zeker niet nieuw – denk aan de affiches met foto’s van gezochte misdadigers op politiebureaus. Ook hebben tegenwoordig bijna alle regionale televisiezenders een opsporingsprogramma naar het voorbeeld van Opsporing Verzocht. De impact van verspreiding is wel toegenomen, door internet en sociale media.

Het tonen van herkenbare foto’s (zonder balkje) is aan voorwaarden gebonden. Eerst moeten andere, minder vergaande, opsporingsmiddelen zijn geprobeerd. Het misdrijf waarvoor een verdachte wordt gezocht moet ernstig zijn. Ook kan een reden zijn dat een verdachte vuurwapengevaarlijk wordt geacht. De voorzitter van het College van procureurs-generaal moet voor elk geval toestemming geven.

Na aanhouding van een verdachte toont het Openbaar Ministerie, een enkele uitzondering daargelaten, geen foto’s meer. In rechtbanken mogen alleen tekeningen van verdachten worden gemaakt. De gedachte erachter is dat de rechter straf oplegt, niet de maatschappij.

De zaak rond de Haagse juwelier is opmerkelijk omdat publicatie van foto’s en achternaam ook is ingezet als drukmiddel. De politie was ervan overtuigd dat de ouders wisten waar de jongens waren, ook al ontkenden die dat stellig. Als de jongens zich niet voor drie uur gistermiddag zouden melden, gingen de foto’s naar buiten.

De vraag is of dát mag. Het College Bescherming Persoonsgegevens heeft eerder laten weten dit een twijfelachtige strategie te vinden. Zo wordt een verdachte onder druk gezet mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Dat dit niet hoeft, is als grondrecht vastgelegd in het Europese en Nederlandse wetgeving.

Het Openbaar Ministerie ziet zo’n ultimatum als service aan de verdachte. „Wij dreigen niet, we geven een verdachte juist de kans zich te melden voordat we zijn foto en naam vrijgeven.”

De voorwaarden voor het tonen van foto’s zijn al vele malen ‘geactualiseerd’. Daarbij mochten politie en en justitie altijd meer. Zo was verspreiding van foto’s waarop verdachten goed herkenbaar staan afgebeeld eerst alleen toegestaan bij delicten waarop acht jaar cel of meer stond. In 2004 is de ondergrens verschoven naar misdrijven waarop ten minste vier jaar staat.

In een enkel geval zijn sindsdien ook foto’s getoond van verdachten die al aangehouden waren. Zedenverdachte Robert M. zat inmiddels vijf dagen vast toen zijn mugshot werd getoond op televisie. Volgens het Openbaar Ministerie was hiermee toch een opsporingsbelang gediend omdat nog geen zicht was op de totale omvang van de zaak.