Te koop: een echte Schreeuw – 80 mln

Het is een kunstwerk dat iedereen kent: De Schreeuw van Munch. Eén van de vier versies wordt vanavond in New York geveild.

Tekening Sieb Posthuma

Wanneer vanavond in New York bij veilinghuis Sotheby’s De schreeuw van Edvard Munch (1863-1944) onder de hamer komt, wordt er niet zozeer een kunstwerk geveild als wel een merknaam. De schreeuw is een begrip van dezelfde categorie als ‘Mona Lisa’, ‘Guernica’ en ‘Zonnebloemen’. Dat feit melkt Sotheby’s handig uit door te benadrukken dat de veiling voor musea en verzamelaars een unieke kans is een ‘iconisch’ werk te bemachtigen. Daar hangt ook een ‘uniek’ prijskaartje aan: Sotheby’s speculeert op een opbrengst van 80 miljoen dollar, waarmee het werk, mits verkocht, net buiten de toptien van duurst geveilde kunstwerken zou belanden. Tegelijk maken de iconische status en de vraagprijs deze veiling min of meer tot een selffulfilling prophecy, want de nieuwe eigenaar zal uit de hype ongetwijfeld klinkende munt weten te slaan. De huidige eigenaar, de Noorse zakenman Peter Olsen die het werk erfde van zijn vader Thomas, vriend en mecenas van Munch, zal het met genoegen aanzien.

Natuurlijk, De schreeuw is een modernistische klassieker, vereeuwigd op een oneindige hoeveelheid spotprenten, pastiches en in opblaaspoppen. Maar daardoor wordt vrij makkelijk over het hoofd gezien dat er op de iconische status van dit specifieke exemplaar wel wat valt af te dingen. Zo is deze Schreeuw niet dé Schreeuw, maar de derde versie (uit 1895) van vier die Munch in verschillende fases van zijn carrière maakte. De eerste, uit 1893, een schilderij in tempera dat als het origineel wordt beschouwd, hangt in de Nasjonalgalleriet in Oslo. Twee andere versies, een pastel en nog een tempera, zijn in het bezit van het Munch Museum in dezelfde stad. Ook het feit dat de schreeuw van Sotheby’s is uitgevoerd in pastel (een medium met een lagere status dan olieverf of tempera) zou niet in het voordeel moeten pleiten.

Maar daar staat die allesverzengende status tegenover, die nog werd versterkt doordat een van de versies uit het Munch Museum in 2004 op gewelddadige wijze werd gestolen (samen met Madonna, een andere Munch-klassieker) en die pas twee jaar later na een intensieve zoektocht werd teruggevonden. Zulke verhalen, daar worden klassiekers op gegrondvest, niet op ‘haarkloverij’ over futiliteiten als versies en techniek.

Bovendien speelt Sotheby’s met deze Schreeuw-verkoop nadrukkelijk in op de opkomende markt van Arabische kopers, vooral afkomstig uit Qatar en Dubai. De sjeiks hebben geld genoeg om musea te bouwen en bijna ongelimiteerd kunst aan te schaffen, maar missen de iconische werken waar bezoekers voor willen omreizen – waardoor de prijzen voor de echte top de laatste jaren fors zijn gestegen. Zo werd het veilingrecord voor schilderijen nog maar drie maanden geleden gebroken door de emir van Quatar die ruim 250 miljoen dollar betaalde voor De kaartspelers van Cézanne, opvallend genoeg ook een schilderij uit een serie, in dit geval van vijf. Op een soortgelijke aantrekkingskracht lijkt Sotheby’s nu te speculeren. En inderdaad: wie de status en de vraagprijs van een Schreeuw afzet tegen de verkoopprijs van de Cézanne, snapt ineens heel goed dat 80 miljoen dollar voor een krijttekening van 79 bij 59 centimeter helemaal niet uit de lucht hoeft te zijn gegrepen.