Column

Schorem op blote voeten, erger dan de Beatles

Hippieband CCC Inc: Amsterdamse jongens in een Brabants dorp.

Nee, de serie Classic Albums zullen ze wel nooit halen. Maar CCC Inc. was (en is, want ze treden nog steeds op) wél een bandje dat bij uitstek geschikt is om het verstrijken der jaren mee te illustreren. Dat heeft het programma Het uur van de wolf goed aangevoeld en uitgewerkt in de fraaie documentaire van Helmut Boeijen, gisteravond door de NTR uitgezonden. De documentaire concentreert zich rond de jaren ’69-’74, toen de bandleden neerstreken in een vervallen boerderij in het Brabantse Neerkant, gekocht door bandlid Joost Belinfante (zoon van de geplaagde toenmalige rector magnificus van de Amsterdamse universiteit) voor maar liefst 32.000 gulden. „In contanten meegenomen in de trein naar Brabant, want banken vonden wij toen eng, zakkenvullers. En dat is ook gebleken waar te zijn.” Een commune, waar ze hun muziek maakten, maar waar iedereen sliep met zijn eigen vrouw of vriendin en dus niet op ‘soppende matrassen’, zoals de dorpsbewoners vermoedden.

Amsterdamse jongens van goede komaf waren het. Behalve Belinfante Ernst Jansz, die later furore zou maken als Doe Maar-lid, Huib Schreurs, later leidinggevend bij de VPRO en Paradiso, en Jaap van Beusekom, later directeur van het Nationaal Pop Instituut. Goed terechtgekomen dus ook. Welbespraakte, bedachtzaam formulerende mannen op leeftijd nu, die in smaakvol vormgegeven interieurs vertellen over vroeger: de eerst stroeve confrontatie met de dorpsbevolking en de geleidelijke acceptatie, toen ze deelnamen aan de plaatselijke aquariumvereniging en het carnaval. En daarnaast de herinneringen van de dorpsbewoners, die het eerst maar „schorem” vonden, „mensen die hier niet horen”. „De Beatles, ja, die kenden we van de tv”, vertelt de toenmalige buurvrouw, „maar die waren lang niet zo erg als hun”.

Opmerkelijk is hoeveel oud super-8 beeldmateriaal er uit die jaren bewaard is gebleven. Opmerkelijk, omdat die hippies doorgaans niet bezig waren met denken aan later, en dus al helemaal niet met het vastleggen voor de eeuwigheid van waar ze mee bezig waren. Lange jurken, blote voeten, een wietplantage... „maar in 1974 was de koek op”. De documentaire eindigt met een reünie in het nu door Ernst Jansz tot riante woonboerderij verbouwde pand. Ze zijn „een soort broers van elkaar” gebleven. „Die jaren hebben het leven van ons allemaal bepaald”. Maar aan de gezamenlijke lunch hebben ze elkaar weinig meer te vertellen dan dat het brood van de plaatselijke bakker al na een halve dag oudbakken is. Aan die tafel had ik wel meer willen horen, maar ze vertellen hun herinneringen liever als solisten. Alleen al daarom is de film een tijdsbeeld dat over veel meer gaat dan over dat leuke bandje.