Column

Oedipus

Ga Footnote zien, schreven de filmredactie van deze krant en Arnon Grunberg in zijn rubriek Voetnoot (!) in de Volkskrant. Verder reageerde de filmkritiek vrij lauw op deze speelfilm van de Israëlische regisseur Joseph Cedar. Onbegrijpelijk, want het is inderdaad een meesterlijke film.

Footnote gaat over het oedipale conflict tussen een vader en zoon die hetzelfde beroep hebben: Talmoedgeleerde in Jeruzalem. De zoon is daarin succesvoller dan de vader.

Wat betekent dat voor die vader? Hoe reageert hij erop? Dat ga ik hier niet verklappen; het verhaal heeft zulke verrassende wendingen dat u me dat in de bioscoop ernstig kwalijk zou nemen.

Om over deze film te schrijven kan ik beter een omweg nemen. De werkelijkheid helpt me daar een handje bij. Op weg naar Footnote hoorde ik in een boekhandel een jonge caissière stralend tegen een mannelijke collega zeggen: „Naar Rufus Wainwright in de Melkweg geweest!”

„Het was zeker niet veel”, zei de man ironisch.

„Het was práchtig”, zei de vrouw, en het klonk alsof ze voor het eerst wakker was geworden naast de man van haar leven.

Deze korte dialoog had tot gevolg dat ik tijdens het kijken naar Footnote steeds moest denken aan Rufus en – vooral – diens vader Loudon, als singer-songwriter bekend onder de naam Loudon Wainwright III (‘the third’). Tegen de caissière in de boekhandel had ik bijna gezegd: „Je zou ook eens naar Rufus’ vader moeten luisteren – die is nóg beter.” Gelukkig beet ik net op tijd op mijn tong. Je moet jongere generaties niet ongevraagd lastigvallen met jouw smaken.

Bovendien, wat is ‘beter’? Rufus is de betere zanger, zijn vader de betere songwriter.

De interessante overeenkomst met Footnote is, dat ook bij de Wainwrights de zoon veel succesvoller is dan de vader. Loudon heeft met zijn sobere stijl en soms nogal sardonische liedjes nooit een groot publiek bereikt. Zoon Rufus zingt voor een uitverkochte Melkweg, pa Loudon moest zich, toen hij daar eens optrad, aan de portier voorstellen met het zinnetje: „I am the man.” Ik stond er toevallig bij en luisterde er met enige deernis naar.

Wat heeft dat met Loudon gedaan, vroeg ik me altijd af. Veertig jaar lang, de gitaar onder de arm, de zaaltjes van deze wereld afgaan met je prachtliedjes, terwijl je zoon in minder dan tien jaar rijk en beroemd wordt. En steeds die interviewers die je vragen wat je van het succes van je zoon vindt. Hij zei daar nooit veel op. Ik vermoedde dat hij het werk van Rufus niet geweldig vond, dat hij soms verbijsterd tegen zichzelf zei: „Hoe is het mogelijk dat…”

Succes in de kunst heeft nu eenmaal ook met rages en hypes te maken. En Loudon is nooit een hype geworden.

Het conflict tussen deze vader en zoon vlamt op in het nummer Dinner At Eight dat Rufus tien jaar geleden uitbracht. Rufus was drie jaar toen zijn vader zijn gezin voorgoed verliet en hij herinnert hem daar in dit wrange nummer aan.

In een interview vertelde Rufus eens hoe het nummer is ontstaan. Hij zat met zijn vader in een restaurant, kort nadat ze samen waren geportretteerd in Rolling Stone. „Ik zei tegen hem dat hij wel blij zou zijn dat ik hem na al die jaren terug had gebracht in dat tijdschrift. Toen liep het uit de hand. Later op de avond dreigde hij me te vermoorden. Ik ging naar huis en schreef Dinner At Eight als wraak voor deze bedreiging.”

Oef Oedipus, kan het wreder?

Footnote doet zijn best.