Navelstarende vakbeweging

Vorig jaar gingen in Nederland 22.000 arbeidsdagen verloren door werkstakingen. Dat was minder dan de helft van het gemiddelde van de afgelopen tien jaar, zo blijkt uit cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gisteren publiceerde. Het was 1 mei, vandaar.

Afgaand op deze cijfers en op het feit dat de helft van de verloren dagen voortvloeit uit stakingen van minder dan een dag, moet de conclusie zijn dat Nederland een zalige arbeidsrust kent. Dat is de verdienste van vakbeweging én werkgevers, die nog steeds tot sociaal-economische consensus komen. Zij ondersteunen hun eigen belang én een collectief belang: stakingsdrift ontwricht de economie.

Zal dat zo blijven? In werkgeverskring vrezen sommigen het activisme van SP-kaderleden bij FNV Bondgenoten (marktsector) en Abvakabo FNV (publieke sector). Wat is het lot van de arbeidsrust nu de vier kwartiermakers van de nieuwe vakbeweging, nog steeds de werktitel, gisteren een nieuwe stap hebben gezet naar een in de 21ste eeuw gewortelde opvolger van wat nu FNV heet? Het was 1 mei, vandaar.

De nieuwe organisatie borduurt voort op de brede oriëntatie die de Nederlandse vakbeweging sinds de mislukte spoorwegstaking (1903) en de naoorlogse wederopbouw (1945-heden) kenmerkt: een belangenbehartiger die meedenkt én meewerkt aan de ordening van de sociale markteconomie.

De nieuwe vakbeweging maakt zich zelfs nog breder. De bonden die zich bij de nieuwe vakcentrale aansluiten, kunnen zichzelf op tal van criteria organiseren: beroep of sector ligt voor de hand, maar het kan ook op levensovertuiging (christelijk) of regio, of nog iets anders zijn, zoals zelfstandige. Met wat goeie wil kunnen ook chefs en hoger personeel toetreden, ja zelfs directeuren. Iets voor VNO-NCW?

De brede vakbeweging is in dit concept eerder te breed, zo breed dat het wel een politieke partij lijkt. Dat beeld wordt versterkt door de interne verkiezingen die de vakcentrale wil gaan houden voor een nieuwe (interim-)voorzitter. Het is natuurlijk plezierig als leden zich herkennen in de persoon en het beleid van de voorzitter. Maar de vraag is: zou een door leden gekozen voorzitter Agnes Jongerius een beter pensioenakkoord met werkgevers en kabinet hebben gesloten, een akkoord dat de FNV heeft gespleten, dan de huidige, door bondsvoorzitters gekozen Jongerius? Zo nee, wat is dan de betekenis van de nieuwe democratie? Zo ja, hoe zou zij de klus hebben geklaard?

Anders gezegd: wat wil de nieuwe vakbeweging? Daar blijven alle opties open. Zo beklijft het beeld van een vakcentrale in een fase van interne oriëntatie en navelstaren in een tijd dat politiek gezien verrassende stappen worden gezet naar nieuwe coalities en nieuw beleid, zoals verhoging van de AOW-leeftijd en het loslaten van het pensioenakkoord.