Dino’s verdwenen ook al voor de klap

Sommige dinofamilies waren al miljoenen jaren op hun retour toen een meteoriet 65 miljoen jaar geleden het einde van alle dino’s inluidde.

Het eindigde met een enorme klap, zoveel staat vast. Maar hoe het de dinosauriërs verging vóór de inslag van een enorm brok ruimtepuin, 65 miljoen jaar geleden, houdt paleontologen nog altijd bezig. Waren de dieren toch al op hun retour? Of werden ze getroffen in de bloei van hun bestaan?

Geen van beide, zegt een viertal paleontologen nu. In de nadagen van het Krijt, in de tien miljoen jaar voor de grote klap, voltrokken zich nog grote veranderingen onder de dinosauriërs. De diversiteit van grote planteneters nam bijvoorbeeld dramatisch af. Andere groepen waren juist in opkomst, of bleven stabiel. „De catastrofes aan het einde van het Krijt vernietigden geen statische en idyllische lost world”, zegt Stephen Brusatte, paleontoloog bij het American Museum of Natural History. „Dinosauriërs waren drastisch aan het veranderen, aan het evolueren, toen de planetoïde insloeg.”

Gisteren publiceerde Brusatte samen met Amerikaanse en Duitse paleontologen een artikel in het wetenschappelijke tijdschrift Nature Communications. Ze onderzochten hoe de anatomische diversiteit van verschillende groepen dinosauriërs veranderde, waaronder vleesetende coelurosauriërs, langnekdinosauriërs, en ceratopsia. Denk bij die laatste groep aan neushoorns met een beenschild over hun nek en een papegaaiensnavel in plaats van mond.

Eerder reconstrueerden paleontologen evolutionaire trends door het aantal verschillende dinosoorten per tijdvak te turven. Maar die aanpak is problematisch. Nieuwe vondsten worden bijvoorbeeld vaak tot een nieuwe soort uitgeroepen, maar blijken later jonge dieren van een eerder beschreven soort.

Brusatte en zijn collega’s besloten daarom om de beenderen zelf te laten spreken. „Anatomie is een betere weerspiegeling van evolutie dan soortenrijkdom, omdat het gekoppeld is aan dieet en ecologie.” De paleontologen keken daarom naar grootte en vorm van de botten en zetten de anatomische variatie uit tegen de tijd.

Op die manier zag Brusatte dat de diversiteit onder ceratopsiërs al ver voor de inslag sterk afnam. Aan het begin van het Late Krijt liep er nog een bonte verzameling van rond. „Sommige soorten droegen een lange, rechte hoorn, andere een hangende hoorn, en weer andere hadden alleen een knoestige stomp”, zegt Brusatte. „Maar tegen het einde van het Krijt stierf die complete groep uit en ging al deze diversiteit verloren.”

Ook de hadrosauriërs verging het slecht. Deze dieren knipten met hun snavels bladeren en twijgen van bomen en vermaalden die achterin hun bek met duizenden kleine tandjes.

Waren de hadrosauriërs misschien de panda’s van hun tijd, overgespecialiseerd en daarmee extra gevoelig voor uitsterven? Dat durft Brusatte niet te zeggen. „Het is wel opvallend dat twee groepen, de hadrosauriërs en ceratopsiërs, dezelfde levensstijl deelden en rond dezelfde tijd achteruitgingen. Iets maakte het deze grote planteneters moeilijk.”

Brusatte oppert veranderingen in klimaat en omgeving als verklaring voor deze achteruitgang. „Vanaf twaalf miljoen jaar voor de inslag verdeelde een grote, ondiepe zee het Noord-Amerikaanse continent in tweeën. De omvang van deze zee wisselde voortdurend. Bovendien verrezen er bergruggen, waardoor ook het leefgebied van dinosauriërs steeds weer uitdijde en slonk.” Dat werd de hadrosauriërs en ceratopsiërs, die aan de basis van de voedselketen stonden, misschien te veel.

De analyse van Brusatte en collega’s is vooral gebaseerd op fossielen uit Noord-Amerika. „Nu er steeds meer dinosauriërs ontdekt worden, door collega’s op elk continent, kunnen we eindelijk het uitsterven van de dinosauriërs definitief in kaart brengen.”