3 procents-Nederlander

Omdat ik deze week op Kreta ben, reed ik gisterochtend naar Chania om daar de Dag van de Arbeid te beginnen met Kostas Vasilakos. Kostas (50) is de eigenaar van restaurant ‘Het lachende Varken’ aan de oude haven. Dankzij twee mislukte huwelijken met Nederlandse vrouwen sleet hij jaren in Oldenzaal, waar het ook tussen Kostas en de tukkers moeizaam ging.

Hij had ijskoffie neergezet, met de mededeling dat er tijd genoeg was, omdat Grieken ook op hun eigen demonstraties te laat komen. Dat het Nederlandse kabinet viel en we Brussel toch gerust stelden, leek hier niemand te interesseren. Kostas wist het niet eens. Zelf gaf ik al dagen schuldbewust te ruime fooien, bang voor meedogenloze 3 procents-Nederlander te worden uitgemaakt. Maar Kostas bezwoer me dat geen Nederlandse burger ervan werd verdacht ‘anti-Grieks’ te zijn: „Democratie heeft niets te maken met wat gewone mensen vinden. In Griekenland weten we dat heel goed.” De Nederlandse regering en haar onderdanen waren twee totaal verschillende dingen.

We wandelden de oude stad in, waar Kretenzers in zondagse kleding naar hun rituele ‘staking’ flaneerden. Zigeunermeisjes verkochten bloemenkransen en Kostas wees op „de anarchisten”, zonder vingers, door het vissen met het verboden dynamiet.

Op honderd meter afstand van elkaar begonnen toen met veel geschetter twee betogingen tegelijk. De ene was georganiseerd door de communistische partij, van de posters met hamer en sikkel en de woorden ‘Peoples of Europe rise up’. De andere door, nou ja, alle anderen.

Beide betogingen trokken een man of honderdvijftig.

De communisten waren goedgeklede twintigers en dertigers met hippe zonnebrillen. Alleen de man achter de microfoon was grijs. Dat was Panayotis, de ober van ‘Het lachende Varken’. Kostas zwaaide enthousiast, maar gromde: „Totale idioten, om afzonderlijk te demonstreren.” Dat had Kostas namens de ondernemersvereniging ook gezegd in een vergadering met de communisten, maar die wilden niet luisteren. Zij vonden dat de Grieken niemand geld schuldig waren. En de andere partijen wilden dat er opnieuw over de schuldenlast werd onderhandeld. Dat was het onoverbrugbare verschil.

Beide demonstraties draaiden zodoende hun eigen rondje. Daarna ging iedereen weer collectief koffiedrinken in de zon.

Ik had nog één vraag: waarom waren op het eiland toch zoveel huizen bewoond, maar niet afgebouwd? Overal zag je sprieten betonijzer uit verdiepingen steken waarop nooit een dak was gezet. Was dat de crisis?

Kostas lachte. Welnee. Dat lag aan een wet die het aantal vierkante meters dat je mag bouwen afhankelijk maakt van je hoeveelheid grond. Wie zo woont, wacht tot iets aan die wet of aan zijn grond verandert. „Al slaat de roest op het betonijzer en wordt uiteindelijk de hele constructie van het huis erdoor aangetast.”

Maar dat laatste, zei Kostas, zou vooral een Nederlander zorgen baren. De rest: Grieks optimisme.