Vreemd allegaartje vermaakt toch

De Duitse regisseur Franz Wittenbrink maakte met Koninginnenacht een bonte potpourri: een muziek- avond vol hoogtepunten, maar met even zo vele dieptepunten. Toch valt er meer dan genoeg te genieten.

Theater ‘Koninginnenacht’ van Franz Wittenbrink bij het Nationale Toneel. Gezien: 28/4. Inl.: nationaletoneel.nl ***

De voorstelling Koninginnenacht van de Duitse regisseur Franz Wittenbrink bij het Nationale Toneel is een merkwaardige potpourri geworden. Een avond vol hoogtepunten, maar met even zo talrijke dieptepunten. Waar op de beste momenten theatrale zeggingskracht, virtuoze taal en muzikale ontroering samengaan, en elkaar versterken. Maar die op de slechtste momenten doet denken aan een lokale editie van The Voice of Holland.

Nu wilde Wittenbrink zowel technisch als inhoudelijk iets ingewikkelds. Hij wilde, met tien zingende acteurs, vrijwel zonder tekst maar middels 44 liedjes – van pop tot klassiek en van volksliedjes tot top 40-hits – de levens schetsen van elf personages. Zij komen de nacht voor Koninginnedag met hun handeltjes samen op een plein, in afwachting van de ochtend en de klandizie. Inhoudelijk is dat problematisch omdat er nauwelijks tijd en tekst is om de personages uit te diepen; dat gebeurt enkel in de liedjes en dat is vaak niet genoeg. Ook technisch is het ingewikkeld, omdat bij elk liedje, bij elke zanger – zeer uiteenlopend qua niveau – en bij elke overgang tussen spreek- en zangtekst, het geluid moet worden aangepast.

Dat ging op de première geregeld mis; waar de mooie, maar fragiele stem van Antoinette Jelgersma begrijpelijk van een laagje galm werd voorzien, klonken Margreet Boersbroek en Remco Sietsema, beiden sterke zangers met scheepshoornvolume, daardoor vaak hard en schel. Spreekteksten verdampten soms door de al te versterkte band, en van verstilling kon al helemaal nauwelijks sprake zijn – met uitzondering van één of twee liedjes, die dan wel weer meteen ongekende hoogtepunten vormden.

Wittenbrink wil op één avond veel verhalen vertellen. Over de tweeling Annelies en Anneloes Rienstra (Loes Haverkort en Anniek Pheifer), van wie de één hevig verlangt los te komen van haar zus, en eindelijk iets voor zichzelf te hebben. Over de weduwe Ida Loon van der Branden-Bakker, die haar parkiet Japie kwijt is. Over de Nederlandse Vincent en de Vlaamse Jules, die voortdurend tweetalig ruziën. Over het Surinaams-Nederlandse echtpaar-in-scheiding Anton en Shirley. Over de schoonmaker/filosoof Alfred en de Turkse schroothandelaar Ali; over ‘runaway bride’ Frederique (Boersbroek), en over de jonge vrouw Anne, die worstelt met een groot verlies. Dat is eenvoudigweg te veel.

Ondanks dat er in het programmaboekje van iedereen een uitgebreide biografie valt te lezen, worden er op toneel maar een paar verhaallijnen uitgediept. Frans van Deursen en Manoushka Breeveld krijgen als het echtpaar meermaals de kans om venijnig te kibbelen op onder meer de melodie van Survivor van Destiny’s Child – een fijne, vinnige binnenkomer in het eerste kwartier. Het personage van Anniek Pheifer, de tweelingzus met vrijheidsdrang, krijgt reliëf in een buitengewoon geestige, nieuwe tekst op Raymond van het Groenewouds Je veux l’amour, dat hier ‘Ik wil een broer’ wordt. Omdat Pheifer goed kan zingen én spelen, krijgt haar Anneloes een diepgang die veel andere personages ontberen. Van de meesten krijgen we slechts een glimp te zien, en van Ali komen we bijkans niets te weten.

Niet alleen stokken al die levens in het ledige, ook de handeling hapert – in feite gebeurt er niets. De personages ruziën, flirten, vrijen, slapen, dromen of mijmeren tot de ochtend aanbreekt. Dan hebben we, behalve wat oppervlakkigheden, niet veel opgestoken over hun levens, noch over de ‘Nederlandse ziel’, waar Wittenbrink met de voorstelling volgens eigen zeggen onderzoek naar doet. Hij scheert geestig over de oppervlakte, langs kitsch en camp, stereotypes en clichés, maar weet de thematiek niet verder uit te diepen. Zo bezien is Koninginnenacht een onsamenhangend geheel zonder diepgang of richting – daar kan ook het grimmig bedoelde slot weinig aan veranderen.

En toch valt er van dit allegaartje volop te genieten. De ruzie op Survivor is ijzersterk, en Zitten in de kou op het plein, op de wijs van Otis Reddings Dock of the bay mijmert mooi. Stefan de Walle is innemend als de filosofisch aangelegde vuilnisman die strooit met vreemde klankdichten, en Antoinette Jelgersma onthult in een hilarische rap het onverminderde libido van de oudere Ida. De meerstemmige samenzang in het prachtige Maannacht (naar Schumanns Mondnacht) en het ijzingwekkende The cold song van Purcell zorgen ten slotte toch nog voor kippenvel.