Voor een laatste kus of de stationskapper

In de rubriek Verdwenen bespreekt Rob Biersma

(bijna) verdwenen voorwerpen. Vandaag: het perronkaartje.

Treinkaartjes waren vroeger van karton. Het waren kleine, stevige kaartjes die je op de tast kon opdiepen. Het treinkaartje was geen Nederlandse uitvinding. Het was al in 1840 ontworpen door de Engelsman Thomas Edmonson en het werd door veel spoorwegen in de wereld gebruikt.

De Nederlandse kaartjes hadden vaak een gat in het midden en waren overdwars geperforeerd. Dat was om er een kinderkaartje van te kunnen maken. Kinderen reisden voor half geld. Als je aan het loket om een kinderkaartje vroeg, dan keek de lokettist net als de bakker of hij nog een halfje had liggen. Zo neen, dan werd een kaartje voor volwassenen in tweeën gebroken.

Als kind hield je je kaartje stevig vast, want je moest het voortdurend tonen. Het begon al bij de toegang tot de perrons. Bij grotere stations was dat onder het bord ‘Naar de treinen’. Daar zat een controleur die ieder kaartje bekeek en van een eerste knip voorzag. Vaak hadden de controleurs een kniptang met een ‘droogstempel’, een stempel die de plaats van vertrek in het kaartje drukte in een code die de NS nog gebruikt: Asd staat voor Amsterdam Centraal, Asa voor Amsterdam Amstel, Tb voor Tilburg – ieder spoorwegstation heeft zijn eigen afkorting.

Op het perron moest je op verzoek van een spoorwegbeambte je kaartje tonen. Dat kwam zelden voor. Maar in de trein werd je zeker gecontroleerd. Nerveus begonnen onervaren reizigers naar hun kaartje te zoeken als de conducteur eraan kwam. Nooit verzocht deze om je kaartje, het was altijd: ‘Plaatsbewijzen alstublieft!’ Of nog correcter: ‘Vervoersbewijzen alstublieft!’ Een zitplaats kon niet gegarandeerd worden. Het kaartje werd ‘geknipt’, er werd met een kniptang een gaatje in gemaakt. Vaak drukte de tang een nummer in het kaartje, zodat de NS kon zien wie gecontroleerd had.

Op de plaats van bestemming moest je je kaartje inleveren bij de uitgangscontrole. Achteloos nam een beambte het kaartje, dat je de hele reis in je hand geklemd had, van je af. Alleen een retourkaartje mocht je bewaren. Ook wie op een tussenliggend station iets te doen had, kon zijn kaartje houden. Hij moest het dan bij de uitgangscontrole laten afstempelen voor ‘vertoef’.

Op de stations was de ‘familie Spoor’ heer en meester. Reizigers werden geduld, maar anderen hadden er niets te zoeken. Daarop was één uitzondering. Wilde je iemand wegbrengen naar de trein – om de koffer te dragen, voor een laatste kus of om uit te zwaaien – dan kon je een perronkaartje kopen. Dat kaartje gaf alleen toegang tot het perron. Soms was het ook vereist voor de stationsrestauratie of voor de stationskapper. Lange tijd kostte het perronkaartje een dubbeltje, op het laatst een kwartje. Totdat het, samen met de toegangs- en de uitgangscontrole, in de jaren zestig werd afgeschaft.