Na de grens krijgen we geblondeerd haar te zien

De Trans-Azië Expres rijdt wekelijks van Iran naar Turkije. De grenzen zijn hier nog ouderwets grenzen.

Carolien Roelants

Richting Midden-Turkije. Foto Zenobia Lagerweij

Als de gebedsdienst op de televisieschermen in Terminal 2 van het Centraal Station van Teheran klaar is, volgt naadloos een voetbalwedstrijd. Uitzwaaiers nemen afscheid van familie en vrienden die straks aan boord gaan van de Trans-Azië Expres, de wekelijkse treinverbinding met de Turkse hoofdstad Ankara. Koffers en koelboxen vol eten staan hoog opgestapeld. Passagiers gaan nog een laatste keer naar een vaste wc voor ze de schommelende hurker op moeten. Het is woensdagavond; zaterdagmiddag is de aankomst in Ankara, zo’n 2.500 kilometer verderop.

De Iraanse trein van de expres rijdt tot de kade van de Oost-Turkse stad Van, vanwaar een roestige veerboot de passagiers het grote meer overvaart. In Tatvan, aan de andere kant, wacht de Turkse trein. Die boemelt Turkije door van oost naar west. Officieel is Istanbul de eindbestemming, maar wegens infrastructurele werken is er de komende paar jaar geen spoorverbinding tussen Ankara en de grootste Turkse stad.

Iraanse burgers vormen vandaag het grootste deel van de kleine honderd reizigers, naast een kleine minderheid Turken en een paar westerse toeristen. Iran en Turkije onderhouden nauwe, zij het niet altijd even warme betrekkingen. Maar de meeste reizigers tussen beide landen nemen het vliegtuig; de goedkope trein is voor wie om de een of andere reden geld wil uitsparen – of, zoals mijn dochter en ik – nog eens ouderwets romantisch wil reizen.

De Iraanse trein is oud en knus. In de vierpersoonscoupés wachten de nieuwe passagiers gekoelde flessen water en verse kranten. Gordijntjes hangen langs het raam en een tapijtje ligt op de grond. Pakketten bloemetjeslakens liggen klaar voor straks op de couchettes. Personeel in blauwe streepjesoverhemden komt langs met het eten: kip met rijst vanavond voor het diner, in de ochtend ontbijt, weer kip voor de lunch en brood met een blikje krab vóór de pont.

In de restauratiewagen, ook met gordijntjes, staan boeketten plastic rozen op tafel. De tweede conducteur schuift aan en vertelt bij thee en Turkse koffie eigenlijk arts te zijn. Eén keer per maand reist hij met de trein mee om de sleur in zijn ziekenhuis in Teheran te doorbreken.

„Wil je een glas thee?” vraagt een oudere Iraniër uit een naburige coupé die is volgepakt met nog oudere familieleden, allemaal geheel gehuld in conservatief zwart. Hij gaat voor een bezoek terug naar Konya, waar hij ooit twee jaar gewerkt heeft.

Maar er is ook een radicaal ander slag Iraniërs in de trein: families met jonge vrouwen met geblondeerde haren die vér uit hun verplichte hoofddoek springen, jonge mannen in spijkerbroeken met emo-kapsel. Een man met staartje vaart uit tegen het Iraanse regime; hij is geen uitzondering. Onze jonge Turkse coupégenote uit Kaiseri, in het midden van Turkije, zegt dat veel Iraniërs daar in de buurt op visa voor de Verenigde Staten wachten. Zelf willen ze weinig loslaten over hun reisdoel: „vrienden bezoeken”, vertelt een jonge man die zegt fotograaf te zijn na korte aarzeling. Inderdaad is zaterdagochtend na de nachtelijke stop in Kaiseri deze hele groep reizigers verdwenen.

Hier zijn de grenzen nog ouderwets grenzen. Op het station van Tabriz moet iedereen de trein uit, met achterlating van de bagage, die de douane zal inspecteren. Tijd voor een bezoek aan de gebedsruimte, die op elk station in zowel Iran als in Turkije standaard aanwezig is, of een blokje om, om de benen te strekken. De Iraanse inspectie stelt niets voor; het zijn de Turkse douaniers die de koffers een uur treinen later overhoop halen. Aan de Turkse grens moeten alle passagiers opnieuw de trein uit. Maar de zegels die nodig zijn voor onze visa ontbreken. „Maak je geen zorgen”, zegt een informele tolk namens de alleen Turks sprekende douaniers die de Nederlandse passen inhouden. „De trein moet wachten tot de laatste reizigers hun stempel hebben.” Wij. Anderhalf uur later wordt een vel zegels afgeleverd en stempelen de douaniers grijnzend onze passen af.

Na de grens blijkt wie een hoofddoek opheeft omdat het van de Iraanse overheid moet, en wie uit religieuze overtuiging. De geblondeerde kapsels onthullen zich nu helemaal; de oudere generatie blijft bedekt.

De acht uur durende overtocht over het meer van Van voltrekt zich in de nacht. Om vier uur ’s ochtends staat aan de andere kant de nieuwere, maar kariger Turkse trein klaar. Geen kleedje op de grond of gezellige gordijntjes, en gewone witte lakens op de couchette.

Maar als de zon eenmaal op is, is het uitzicht weids en ongenaakbaar. Helemaal in het oosten ligt de sneeuw nog een halve meter hoog; naarmate de trein westwaarts rijdt wordt het lente. De kersenbomen bloeien roze.

Buiten rijden we het strijdgebied van de verboden Koerdische Arbeiderspartij, de PKK, binnen. Op het station van Genç komen gewapende politiemannen aan boord, die tot Elazig, een kleine 200 kilometer verderop, meerijden. Op de wegen langs het spoor staan her en der checkpoints. Grote legerplaatsen onderstrepen: hier is het oorlog.

De Turkse coupégenote is op weg terug naar huis na drie maanden in Iran te hebben rondgereisd met haar kanun, een traditioneel snaarinstrument. „Het was liefde op het eerste gezicht tussen mij en de kanun”, vertelt ze en ze bewijst het. Haar gezicht straalt als ze haar kanun laat klinken. In Iran heeft ze les gegeven; nu neemt ze zelf weer les.

De Turkse restauratiewagen is lang niet zo knus als de Iraanse, maar het eten is aanzienlijk beter, en in de avond verandert hij in een sociëteit. Iraanse families zitten te kaarten; iedereen deelt gezellig dadels en zoutjes uit. Een jonge Azeri met een groot kruis om zijn nek wil weten of wij ook christenen zijn.

De volgende dag verraadt de nadering van Ankara zich door de groeiende aanwezigheid van moderne fabrieksgebouwen. Het landschap verrommelt. Met drie uur vertraging komt de Trans-Azië Expres op zijn bestemming aan. Nu nog zes uur in de bus naar Istanbul, en de douche.