Krijsend achter de flipperkast

Speelde hij een computerspelletje of maakte hij muziek? Het deed er niet zo veel toe bij Skrillex, de meester van de snerp-techno die als zo veel dance-dj’s een keurig voorgeprogrammeerde setlijst van zijn harde schijf afwerkte. De Amerikaan moest het als live-artiest hebben van fanatieke bewegingen achter een alles verhullend decorstuk waarop flitsende lichtbeelden en filmpjes geprojecteerd werden. Het enorme podium kreeg daarmee het aanzicht van een computerscherm annex flipperkast, waarin een klein mannetje met asymmetrisch kapsel zijn snoeiharde snerptonen aanstuurde.

De bassen kwamen uit de diepste krochten van het sub-laag, maar met dubstep had het weinig te maken. Daarvoor was het lawaaioffensief te druk en leek het te veel op ouderwetse kermismuziek, met een dopplereffect alsof je in de draaimolen zat. Stemmen zijn bij Skrillex niet meer dan geluidseffecten, zoals de door Auto-Tune vervormde vrouwenstem in Falling down of de onzichtbare rappers in Booty clap. Voor de afwisseling maakt hij handig gebruik van citaten uit ska en hiphop. In vrijwel alle Skrillex-nummers staat de survival of the fittest centraal.

Het oorverdovende feestgewoel heeft verrassende overeenkomsten met een hardrockconcert. Skrillex schreeuwt zijn publiek toe met een kapotte, Lemmy-van-Motörhead-waardige stem die hij overhield aan zijn periode bij een rockband.

Het publiek gaat los alsof het bij een concert van Status Quo is, met wuivende armen en bier dat lustig in het rond plenst. Skrillex gebruikt zijn simpele synthesizermelodietjes alsof het gitaarriffs zijn, zwaar aangezet om de volgende tsunami van donderende drumbeats aan te kondigen.

Met alle visuele bombarie erbij leek het nog het meest op de Electrical Parade in Disneyland: kitschmuziek van de hoogste orde die vooral bedoeld is om het publiek te bedwelmen met overdaad.